NEDERLANDSTALIGE GEDICHTEN

GEDICHTEN                                 FRANCIS CROMPHOUT

 

                                                 HET BAD VAN DE INCA

                          (1977- 2015)

de mooiste vrouw van Cuzco

 

 

 

de lappendeken van de Andes

kan nauwelijks nog de lepra verbergen

die zich over zijn bergruggen heeft verspreid

diepe groeven van chicha en bloed

lopen door zijn gelooide huid

 

de mooiste vrouw van Cuzco

biedt mij haar tandenloze lach

gevallen engel

 

 

 

dit moet een engel zijn

opgestegen uit de vallei

die achter zijn fladderende gestalte gaapt

plots was hij hier op dit nauwe bergpad

zingend en dansend

de vleugels van zijn poncho op en neer

als ik hem naar de woorden vraag van zijn lied

zegt hij vaag: « de doorn, señor, de doorn van de cactus »

en lacht dan slim om het geldstuk dat ik hem toestop

valle sagrado

 

 

 

de tuimelende zonnegod

dolk in de rug

kleurt de bergkammen rood

oker het stekelige ichu-gras van de vlakte

alleen de hoge stenen van de Inca

houden kleurloos stand

 

ontdaan van al hun goud en zilver

bewaren zij hun geheim

voor het oog dat opstijgt

uit deze vallende nacht

machu picchu

 

 

 

watten

als een antwoord van de hemel

op de reikhalzende aarde gelegd

 

de oude berg in de mist

onthult zijn meest intieme samenhang

zijn hoogten en laagten

en hun oneindige omkeringsmogelijkheden

 

het zacht zinken van de wolken

op de wonden van de aarde

 

een vrouw is aan het werk hier

 

maar daar is ook het onophoudelijk

neersijpelen van het water

spiedend naar elke rotsspleet

om zich erin te verliezen

 

wolkman, rotsvrouw

 

de liefde of zijn afwezigheid

is het enige wat er is

El Baño del Inca

 

 

 

wat je ziet als je niet meer kijkt

en de berg rechtover jou zich opent

 

hoofd met duizend gezichten

holte waarlangs je verbeelding zich verliest

 

tot de stilstand van de bron

 

steen gehouwen volgens het plan

van de veelvormige reus die je omsingelt

 

maquette van de wereld

waarvan deze site de samenvatting is

Intihuatana

 

 

 

van boven komt het gevaar

van de sneeuw van de bergtoppen

van de baardige ruiters met hun gevleugelde paarden

van de sterrenhemel die zich onthult

in de zwarte nacht van de heilige vijver

daarboven moet het getrotseerd worden

boven de terrassen langs de bergflanken

boven het woondorp van de krijgers

daar op de top van de berg

de meetrots oog in oog

met onze god en hoogste vijand

 

 arco iris negro

 

naar Fernando de Szyszlo

 

 

een zwarte regenboog bij dageraad

mijn mond hapt naar een blauwe vlieg

zij kondigt – telkens opnieuw

de tijd aan die bleef stilstaan

bij de dood van Atahualpa

 

zijn bloed stroomt door mijn aders

zijn ogen schuiven voor mijn ogen

mijn hart huilt de duizend huaynos

die uit de vier suyos komen aangewaaid

 

wolken van verdriet

verduisteren de kleuren van de zon

 

 

 

choquequirao

 

een zee van wolken aan de horizon

gevat in de veelvormige plooien

van de rokken van het gebergte

wij zigzaggen bergop

 

Choquequirao verrast ons

van achter zijn verdorde gordijn

als een doornroosje van steen

 

schoonheid van stenen

ontvangster van het water

die vanuit zijn bron

neerdaalt als een god

het altaar doorkruist

 

onophoudelijk

 

de Inca neemt er zijn bad

ritmes van de liefde

waar doorheen het leven

een aanvang neemt

 

 

el río profundo

 

van heel boven bezien

een turkooise spiegel bevlekt met schuimwit tin

vanaf zijn oevers vertoont hij zijn veelvormige bewegingen

naargelang zijn rotsen en watervallen

 

hij graaft en soms zwelt hij tot buiten zijn oevers

de bergen laten hem doen

daar in hun diepte

waar hun flanken zich verenigen

 

de stroom brult van genot

een liefdesverhaal alweer

 

  

 

 Río mala 

 

golf na golf

kronkellijnen van wit schuim

springen tegendraads

tot waar het geweld hen terugdringt

en weer opnieuw

opwaarts gestuwd door hun stenen en keien

tot de liefdevolle wrijving

ze fijnmaalt tot zandkorrels

en aan een eeuwig gewaand orgasme een einde wordt gesteld

in de naweeën

van

een

almaar

trager

ritme

 

 

 

Pinksternacht in Taquile 

 

onze fluitjes zijn naar onze muts gestemd

maar samen trippel trappel in de ronde

blazen wij ons deuntje almaar opnieuw

tot wij ons één voelen met het zilver

van de schijf daarboven

maanschip waarin wij zinken

diep in het water

dat de hele wereld vult

die ons omringt

tot wij opstaan met de vuurbol

die ons hier ooit heeft uitgespuwd

 

 Mummie in Chauchilla

het is allemaal zo goed geëindigd

als het begonnen is

mooi ingepakte foetus

ingewreven met de beste kruiden

omringd door al die voorwerpen

die mij dierbaar waren hier

maar wat was niet mijn verrassing

bij het ontwaken daar in die zandwoestijn

tussen de knoken en de scherven

heel even maar opnieuw tot leven

en dan opgezogen door de flits

van dat éénogig monster in trainingspak

Sican

 

 

een masker van zuiver goud

voor de grote overgang

de neus is de exacte  grens

contactpunt, volmaakte mal van ik

grapje

van de vergetene

misplaatst

net voor de eeuwigheid

 

 

kruisend leed

onder een muskietennet

in het hartje van de selva

ligt een grijsaard van veertig

uitgedroogd vel over ribbenkast

ongezien te creperen

twintig meter verder

een stoet radeloze toeristen

op zoek naar een bar

met ijsgekoeld bier

El Señor de los temblores

 

 

 

alleen met je eigen bloedvlekken getooid

opduikend vanonder de gouden krullen

de armen wijd geheven langs een denkbeeldig kruis

beleef je je listige triomf

vertoon je je klapperende tanden

in stoeten en processies

god van de bliksem

fallanx van Sacsayhuaman

condor

 

 

 

zoals hij daar onbeweeglijk met zijn gebogen snavel

naar de diepte zit te spieden

lijkt hij niets meer dan een grote gier

cholo die aast naar een aalmoes

maar zodra hij buitelt

de vleugels uitgestrekt op de warme lucht

die hem tegemoet waait

wordt hij de heilige vogel

zwevend pijporgel

voor het lied van de zon en de wind

de klok van Yanque

 

 

 

gegroet! gegroet!

doorheen het kristallijnen geklepper van de kerkklok

duikt even nog een flits op van het schitterende koper

dat de Inca bouwde rond de mooiste der Collahuas

en dan weer stof erover

begrafenisstoet te Cajamarca

 

 

 

de limousine van de dood

magneet op vier wielen

en daar achter aan

de zee van de levenden

 

surfend op de golven

de dode in zijn kist

tot hij aanspoelt

in de armen van de aarde

waarna de zee zich weer een tijdje terugtrekt

Calicanto

 

 

 

rechtover de besneeuwde bergtoppen

hangt de blauwe brug

 

over hem heen glijden

veelkleurige ezeltjes en vrouwtjes

 

beneden wachten geduldig de rotsen

klankkasten voor de ritmes van het water

dat zich in al zijn vormen herhaalt

Onderweg naar Chavin

 

 

 

uit de buik van de reus

kruipen bij bosjes

de groene mieren

weggevloeid uit het vruchtwater van de berg

 

en verderop heb je de flanken

beschreven door de regen en de wind

 

één onmeetbaar moment van stilte volstaat

om de stenen tot leven te wekken

 

mozaïek van gezichten en ledematen

rondingen en vlakken

hoektanden en vogelogen

 

tot alles verdwijnt in het gat van je geheugen

dat het allemaal bewaart

Chavín

 

 

 

ik wil de stroom aanraken

strelen zijn ritmes tussen de rotsblokken in

 

als ik er in duik ben ik de zeldzame kei

die even zijn arabesk vertoont

in het vlechtwerk der voortsnellende configuraties

 

de paringsstrijd begint altijd opnieuw

de aarde vangt het water op haar spiezen

de mens tracht bergen te verzetten

terwijl het water weet:

 

bergen verzetten zichzelf wel

 

onderweg naar Pozuzo

 

“las penas y las vaquitas se van por la misma senda”

 

Atahualpa Yupanqui

 

wervelend pad waarlangs

koetjes en lasten

gedreven door de drijfveer

die zich ontrolt voor het oog

van de naald die heel deze wereld omlijst

zonnemasker

voor een baal propvol yucca

gebukte grijns

onder een gelaten leven

Ucayali

 

 

 

een horizon om van te proeven

de levensboot dobberend

in een kop koffie-met-melk

 

de verzadigden aan wal gezet

reizen wij verder

 

elke dag begroeten wij de gebeurtenissen:

de reiger, de kaaiman, de dolfijn

bezitten onvermoede rechten op onze gedachtengang

 

zon en water sloten hier een pakt

waarvan de tekens tastbaar zijn en groen

de mens nestelde zich tussen de regels

de verdoeming bleef uit

 

de schuimbekkende stroom tegen de voorsteven

weeft zijn verhaal binnen het mijne

 

 

Shipibo

 

 

wegen

van boog- en kruispatronen

in een verleden gedroomd

om de onzekerheden van een toekomst te verbeelden

 

graven zich een slangengangetje

binnen de bloedbanen

geloosd in het blijvende nu

van een lendendoek

 

zeil voor het bootje

waarmee jij je voren snijdt

in koffie met melk

 

 

 

todas las sangres

 

 

ogen uit het verre oosten

waarin ik meereis

over de verweerde huid van het westen

lippen uit het diepe zuiden

waarop ik dit handjevol vermoeide woorden

te rusten leg

harteklop van afrika

die mij opnieuw tot leven bonst

 

 

 

                                                       MIJN ENIGE SPIEGEL

                                                              (1984-2015)   

van je ogen

 

voor a.

 

 

vochtig plots, een opflakkering van zee

ontsta je als was je geboren

uit de warmte die je bent en die je omvat

 

fluweel van die andere huid

die trilt onder je omhulsel

is het je naaktste naaktheid die je me laat zien

doorheen je strelingen

 

beeld dat mijn lichaam omspant

met al dat jij dat ik niet ben

ga ik gekleed in je

als in mijn enige spiegel

zee

 

 

achter het decor van deze muren

het landschap van deze lucht met bomen

doorheen het masker

van onze meest intieme configuraties

priemt de betovering

als een zee

 

ritmes van je oogopslag

zij strijken langs mij heen

tot ik de spiegel ben

waarin je

door de vermomming van je eigen lichaam heen

de golven herkent

waaraan je je kan overleveren

fetisj

 

 

pop, heupwiegend,

danst voor de zon

haar buik: een spiegel

 

aansteekster van het gerichte vuur

bundelt zij mijn stralen

 

 

 

de muziek

 

 

noch begin noch einde heeft zij

zij ontleent je haar cadans

en haar vuur wordt je dans

een stukje van je tijd herknedend

je dan nazinderend achterlaat

het godsgeschenk van haar echo

in je oorschelp, nog even

 

nadie me quita  lo bailao

 

 

 

die ogen die zien zonder te kijken

worden de nacht waar je induikelt

diepzee waar vissen schaarser worden

het licht dunner

kolk die je meezuigt en weer opgooit

met de golf waarop je dobbert

aquarium voor het geheim

waaraan je je voedt

 

die voeten die de vloer folteren

met het kunstige rakketak van hun roffelende hakken

zijn de ritmes van je hartslag

zij dansen je levensverhaal

strooien je uit als een gerucht

je zucht: het gedanste leven

niemand kan mij dit ooit nog ontnemen

 

 

 

Baubo

 

 

troosteloos de moeder

om de kinderroof

die een hatelijke Hades haar bakte

geen hap, geen slok, alleen die krop

in haar keel, kokhalzend

naar een lokkende beker

 

tot een dienstmaagd zich waagt

aan een goddeloze strip-tease

haar schaamlippen openspert

tot een aanstekelijke lach

en Demeters mond zich op zijn beurt ontspant

en zij de drinkbeker heft op het lot

oog in oog met de eeuwige jeugd

die iedere vrouw in zich draagt

als zij het maar wil weten

 

met dank aan Clemens van Alexandrië en Arnobius

kerkvaders, overdragers

van de blijde boodschap

tot nader order onbevlekt ontvangen

 

 

 de droom

voor a.

 

 

als eerste over de eindstreep

van de koers van de liefde

is het jouw beurt nu

om het vlees & bloedparadijs te verlaten

voor deze propere wereld

van zeep en kleren

 

tijd nu om al zuigend te leren

de leer van het onderscheid

die je met het lijden het genot oplevert

met de onmetelijke liefde

de niet te doorgronden eenzaamheid

 

in je voedingsbodem

van waarheden en proteïnen

zullen de messen ‘wie, waar, waarom’

hun diepe voren trekken

 

vraagtekens zullen in dit wat dolle spoorspel

je enige wegwijzers zijn

 

tot je je eerste droom te binnenschiet

 

 

voor j.

 

 

van eeuw tot eeuw

van seconde tot seconde

het tijdsinstrument zal nooit

het onmeetbare leven vatten

dat zich overzet van wezen tot wezen

van man tot vrouw

 

wel je tikker binnenin

als die zich herhaalt tot vergetens toe

de traagheid van de wolk in je ogen

het ritme dat wegwist

elke begrenzing

 

ogenblik dat je zal bewonen

je hele lange leven

werkelijkheid

 

 

 

het kind dat stukjes brood voert

aan de hond in zijn boek

 

ziedaar een mooi voorbeeld (zegt bedachtzaam

de psycholoog) van de verwarring

die heerst in deze fase

tussen werkelijkheid en fictie

 

maar jij, kleintje, weet wel beter:

de hond aan wie je te eten geeft

is niet die van het boek

 

mijn hond, zeggen me geheimzinnig

je half-dichtgeknepen oogjes

die zit hier, veilig

achter mijn wimpers

 

 

die angst

fladdert met zijn vingers over het klavier

met zijn vingers over het klavier

tikt een ijspegel te voorschijn

op het wit blad van je wang

 

gestolde tijd, kleintje, dat je oog aanwijst

mij aanstarend vanuit de verlamming

omwille van die angst

dat er helemaal niets

 

tot de pijn er is en het erbij horende leven

binnen de reikwijdte

van je alles uitpluizende oog

 

 

  »s’il est mort, force est que je dévie

Voire, ou que je vive sans vie

Comme les images, par coeur.”

 

François Villon

 

 

als je, kleintje

aan de rand van de schijf

turend naar die diepte

 

als je, lieveling

het opborrelende leven in je

onstuitbaar is geworden

 

weet dan, als je springt

dat ik je voor zal zijn

om je te vangen

in een eeuwigdurende vrije val

 

in dit ondermaanse, hartendief

zal je leeglopend leven mijn leegte vullen

en ik niet meer zijn

dan in je afwezige aanwezigheid

 

 

 

getik op het dak

 

getik op het dak

heeft mij gewekt deze nacht

het  regende zandkorrels

 

een prik bij iedere druppel

door mijn machteloze hart

 

zwaar van zoveel misslagen

als de ontelbare korrels van de woestijn

die zich aaneenrijgen in een roffel

 

 

 rit

 

 

je ogen wijd open op de angst

gebeten te worden door een zwarte hond

die toehapt almaar

en wijken maar

een onophoudelijk verglijden

permanent verlies

tot jij je met huid en haar

verslonden voelt door het grote niets

goed wetend

op het einde van de rit

word je uitgebraakt

drenkeling van de onmetelijke verwarring

aangespoeld mee met de zee

die altijd wel weer in de plooien

valt van haar golven

dode hoek

 

 

 

ineengedoken kleintje

in de dode hoek van een spiegel

die je vader heet te zijn

de blik op achteruit

steeds een armlengte te laat

voor de omhelzing

 

er is veel moed voor nodig, kleintje

om te breken met

te duiken in

te zweven langs

 

de lianen van het leven

 

tot de boomhut er is

de rust is neergedaald

het verleden je uiteindelijk

heeft ingehaald

 

 

 pen avel

1

 

 

tempus fugit, ja, als een schaduw

maar in de schaduw van zijn jongste scheuten

herkent de boom – listig -

zijn duurzaamheid

 

de cycli overbruggend

voedt hij zich aan eenzelfde verhaal

 

altijd anders nochtans:

kruimels van onsterfelijkheid

gezaaid over deze lap geluk

door de getijden vergeten

 

vrucht van de wapenstilstand

tussen de aarde en het water

pen avel

 2

‘s nachts overrompelt ons de stilte

een orkaan

ontsnapt uit ergens een schelp

die aanzwelt en zich ontketent

 

als zijn kolk ons meevoert

zijn wij vlottend wrakhout

in de eindeloosheid van de sla

sleurt  ons mee naar de diepte

 

maar bij het naar bovenkomen

belicht de maan

de buitenvervolgingstelling

cabo de gata

 

 

franje van schuim

die vreet onophoudelijk

aan deze kust van kreken en klippen

wijl jan van gent hierboven

glijdt over een tegenwaaiende windlaag

 

water en lucht

slijpen de aarde

tot de volgende opstoot

van haar schoot

de romeinese brug van Zamora

 

 

 

als de bogen van de Duero

de stenen bogen ontmoeten

zijn de cirkels rond

 

het riet dat drijft

op de droombrug die mij omkeert

is het enige wat geen inbeelding is

 

 

l a senda del oso

 

1

  deze overhangende tak zijn

boven een zich vergalopperende bergstroom

stroomopwaarts

aan volle snelheid

als het oog zich vastklampt

 

al het hoge bezoek tegemoet

maar toch ter plekke

en doelloos als het geluk

 

 la senda del  oso

 

2

 

 gestolde surplace

doorheen de voortdurende beweging

 

langs de glimmende keien

blijft het vertrouwde plooiwerk ongewijzigd

 

de tijd van een leven

ordent zich de chaos

op deze of gene wijze

 

paradox van dit koppig bergriviertje

ik hou stand

 

 optisch

 

slingerslangen vangen

kleintje en ik

onze blikken die zich verheffen

de bergwanden beklimmen

 

waartussen

 

de spiegel van de zee

in zijn kader van rots

 

zoals hij zich in de hemel verliest

 

grijzende glijbaan die ons verblindt

camouflagepak voor de cameleonzon

 

 

 grassprietjes

 

 

vrolijk als ooit

tussen de tegels

groeien zij

 

door de wind gejaagd

die hen doet buitelen

sijpelen de zaadjes

de gevestigde orde binnen

 

sporen tussen die andere

die ik mij – snel nog –

tracht te herinneren voordat

 

 

Vacaguare *

 

 

als de tijd, de ziekte

als het besef de dagelijkse herhalingsdrift doorbreekt

wordt de gemeenschappelijke grot

ingeruild voor een afgelegen spelonk

belegd met de geliefde huiden

 

een kom geitenmelk aan zijn hoofdeinde

legt hij zijn vermoeide lijf te rusten

alleen

zoals hij weleer doorheen

die warme vochtige grotspleet werd geperst

 

nu traanklieren en poriën voorgoed gedroogd

weet hij zijn cirkel rond

net zoals de spiraal

rond het vereerde gezicht op de rotswand

zoals ook de muil

die hem, met haar en huid, zal opnemen

 

zachtjes ditmaal, samen met zijn melkwitte gift

en hij zal uitdoven

en bij bewustzijn niet meer wakker worden

 

 

 

*de doodswens van de ouderen zoals die werd geuit door de oorspronkelijke bewoners van de Canarische eilanden; in het dialect tahaggart van de Centrale Sahara betekent “ubak ahouaren” “ik wil bij de edelen zijn” wat de voorgaande betekenis geenszins tegenspreekt.

 

 

 

 voor Ahasverus

 

wandelen in cirkels

om te ontsnappen aan de tijd

om te ontsnappen aan de wereld

aan de noodzaak, de dood

 

de dood is wat ons bewerkt

ogenblik na ogenblik

 

porie na porie geven wij prijs

aan de nectarrovende bij

 

Prometheus versus Sisyphus

met blindheid gekerfd

voor de eeuwigheid

 

 

 standpunten

 

onder het witte raster

van de wolken schuivend

met het vuur aan de schenen

ben ik de veelkleurige bal

gezien van beneden

 

van boven neerziend

is er de mierenhoop

van huisjes en tuintjes

binnen de lijnen gevat

van straten en wegels

 

beide standpunten zijn aan elkaar gewaagd

 

de illusie te ontsnappen

aan de zwaartekracht

versus die om zich

vaste grond aan de voeten te wanen

 

 

 

  

 

 

  

het gevoel

 

 

het gevoel dat je nooit verlaat

alleen vergeten wordt

door gerotzooi met problemen

 

geluksmomenten aan elkaar geregen

tot er geen oplossing meer bedacht wordt

en de onhaalbare uitdaging

van het eindspel aanvangt

en je het mag loslaten

 

  

 fantoompijn

 

de regen plaagt het dak

kittelt de slaap in zijn kist

die drijft op de nacht

 

niets lijkt echt

de pijn niet

zelfs niet het grote verdriet

 

alleen dit verlangen

kloppend als het hart daarboven

 

goed bewaard geheim

binnen de zolderkamer in mijn hoofd

 

   

 

huis

 

 

een huis tegen de dood

rijk aan ramen die uitkijken

 

als de dag heengaat

wordt achter angstvallige gordijnen

het tegenbeeld weerkaatst

 

binnen stookt men dan gezellige vuurtjes

met het brandhout van muziek, tonggekletter

en ronddolende herinneringen

 

naarmate de nacht vordert

worden behoedzaam gestreelde poezen

op verkenning gestuurd

 

als dan het grijze bericht van de ochtend wordt ingefluisterd

de inbraak in de kleurenwinkel beraamd

zoekt men opgelucht het bed op

voor een hernieuwd pakt met de slaap

 

 

die droom

 

 

duiken in de ijszee

door het wak van de slaap

de kou die mij ontvangt

deert mij niet

 

zij vervoegt de ijsgloed in mij

ballast die mij de dieperik injaagt

tot de droefheid

 

dieper nog dan de droefheid

is er de droom van de droefheid

eindeloze tunnel door de diepzee

naar telkens opnieuw die droom

 

 

 duiventil

 

 

schuld en regen over het hemelraam

ik lees de partituur

voel zijn gif sijpelen in mijn ziel

die fladdert even nog binnen de duiventil

van dit lichaam

zonder hoop op verhuizing

 

je zal branden

 

door het rolluik van mijn oogleden

als ik het naar beneden trek

zie ik de gaten in mijn zicht

de kleurige vlekken die bij dag

de werkelijkheid beetje bij beetje

afdekken voor mij

tot de blindheid er zal zijn en niets nog

mij zal scheiden van mezelf

en het eeuwige hellevuur

 

 

 verplaatst

 

 

door afgronden bewoond

wat zou mijn huis kunnen zijn?

ik, een handvol partikels

weggeveegd door de wind van entropie

 

vlok van materie binnen de verblinding

van dit hemelgewelf

illusie van een donkerblauw scherm

dat behoedzaam het licht

tegen zijn eigen vernielzucht beschermt

zich leent voor de projectie

van het dak in mijn hoofd

 

sterren die mij leiden

naar het grote niets van het verleden

waartegen mijn eigen echo zich te pletter slaat

 

het ogenblik is mijn enige ruimte

onophoudelijk verplaatst

 

generale repetitie

 

  

je pauwenstaart als blikvanger

voor wijfjes en roofdieren

 

je kranig gemanoeuvreer

door het fijnmazig net

maakt van jou een uitgelezen vogel

voor de poes in wiens klauwen

je tot over je oren

 

hiermee volg ook jij de wetten

van de chaos die alleen alles ordent:

 

jouw eenmalig leventje

als een vermeende generale repetitie

 

 

L

 

 

Lilith, Lolita, Lillian

 

langs de hemel glijdend

is zij een dievegge in de nacht

 

met de wind, het onweer

voert zij de oorlog van de liefde

en geeft vleugels aan het genot

 

hoedster van slangeneieren

die zij haar lenige minnaars toewerpt

dooft zij hun zaad

in haar roodgloeiende bedstee

 

zij deelt die met de lynx, de jakhals, de sater

luidkeels lachen zij de ribgewelfde Eva uit

 

 

diabolisch

 

 

duivelshand in de spiegel

ook al is dit mijn rechterhand

 

Narcissus al eeuwen verzopen

en al wie leeft zoekt zijn gelijke

langs dezelfde kant van de plas:

 

gesneden koek

waarvan ik de zure pap wel lusten moet

 

ik en niet-ik in een flits

 

de tijd van een leven

zien zij ademloos toe

het wederzijds verdwijnen

 

er was een maansverduistering deze nacht

 

 

langzaam wakker worden

terwijl sissend de eigele maanbal

wegkwijnt in de braadpan van het firmament

 

luchtbel-lichtbel flikkerend in de nacht

dobberend in het vruchtwater van de slaap

 

bewustzijn met de ogen dicht

getuige van het onmetelijke vuurwerk

van de ruimte in expansie

 

tot je ik ontwaart, en ik en nog eens ik

tastende botsautootjes naar de schok van de liefde

 

de meedogenloze liefde

verwekker en moordenaar tegelijk

van het zelfbeeld dat je je aan diggelen verzint

 

god in het diepst van dit gedicht

tijdbom, plofje

 

Echternach

 

 

weggezift het kaf

terug naar af

het ganzenbord haaks op het leven

 

wat is het

wat blijft gegeven

als men zolang moet leven?

 

Echternach schoorvoetend uit zicht

en men beseft dat alles er niet meer is

en er toch niets veranderd is

 

als ik er aan denk:

 

 

eindelijk oud geworden

en toch niet berusten

 

glijdend langs banen en ellipsen

midden de clash der cycli

almaar verder van het centrum af

almaar dichter bij de grote kou

 

met enkel de herinneringen nog

om mij warm te houden

bedenk ik mij een leven

voor wie amper nog bestaat

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

méditation gantoise

(Maurice Maeterlinck indachtig)

 

het regent kuiltjes in het water

pokdaligheid van de traptorentjesgevel aan de overkant

die tot zestien maal toe boe roept in de bewogen plas

 

trucje uit eenzame jeugdjaren

dat dit gedicht komt binnengewaaid

als tegengif voor de huidige misère

 

op nul gezet zie ik die nu

weg dobberen op de Gentse wateren

waarvan ik geleidelijk aan volloop

 

 onvrije metselaar

 

het illusievolle geluk is niet mijn lot

mij komt de waanzin toe, de vernedering

de waarheid van ontbering en verlies

de moeizame lering van de afbraak

tot die ene steen

die zich naadloos invoegen kan

in de grafkelder van het universum

 

illusie

 

 

ogen die strelen

het boomgroen langs de berm

als handen

de lichamen uit het verleden

 

beelden ontstaan

bij iedere aanraking

van wat misschien nooit

is geweest

 

hier en nu op deze autosnelweg

het stuur op oneindig

is alles wat ik weet

 

 

 ochtendgeluk (25 december 2003)

 

  

alweer worden watten gelegd

op de kerststal van de wereld

 

maak ik slapende huizen wakker?

 

een handvol grijze katers reppen zich nog

de wegvliedende nacht achterna

 

een roestbruine boom rekt zich langzaam

los uit de kleurloze berm langs de weg

 

speelgoedautootjes gooien zich te pletter

tegen de mistbank daar voor mij

 

uit de verdwijntruuk wordt bloedrood

de dag te voorschijn geboren

 

vermoorde onschuld

Betlehemkind dat doodbloedt

 

onozel offerlam

voor dit simpele ochtendgeluk

 

 

 rit 1

 

 

op weg van je weg

naar je toe

onthult de nacht mij

zijn lichtwoestijnen

 

sprakeloos de hemelkoepel

al zijn sterren zijn op de grond gevallen

 

dwaaldorpen

zij zinderen nog even na

 

ik omzeil klippen

die opschieten her en der

in de vorm van al die huizen

waar jij nooit in sliep

 

ik begeef mij roekeloos

in slokdarmen die mij uitspuwen telkens weer

 

hun listige slangenmagen hebben weet

van de muurtoren voeder de dood

waarop deze halsbrekende rit is gericht

 

met ingehouden adem wacht ik

op het einde van de luchtbel

 

de omwenteling

die me van mezelf zal bevrijden?

 

terwijl ik dit bedenk plooi ik dubbel

van verdriet

 

 

rit 2

 

reizen van hier naar hier

met wie nog van mij houdt

achter iedere speldenprik

in dit wegvliedende landschap

gapen eindeloze ravijnen

 

binnen deze lijkkist

die aan alles voorbijschiet

is er iets nog dat wil

de worm wellicht

die zich aan mij zal verlustigen

 

recht naar een doel

waren er niet de turbulenties

van begeerte en gevoel

boven de hoofden

van al wie mij nog met deze chaos verbinden

 

aan het eind van de rit verwacht ik

liefde te lezen in de ogen

van de beul

die dit warhoofd zal uitdoven

 

 trechter

  

rijden zonder rempedaal

binnen de trechter

van deze weg met bomen

aan de horizon

wacht een muur van wolken

waarachter het ongekende

 

 twee

 

twee lichamen

die elkaar rakelings scheren

in de zee van nacht

 

fabrieksboten van de slaap

 

als zij onderduiken

maken bizarre kwallen

zich van hen los

 

zij stijgen naar het oppervlak

waar zij dobberen

ten prooi aan plukgrage winden

 

op de kust wachten geduldig

twee andere lichamen nog

 

zij bieden zich aan

gewillig

voor het smeltwerk van de zon

 

als zij samenvloeien

zijn zij vrij

 

 

dag en dauw

 

dampende weiden

genezen van de nacht

stoom afblazend

langs een voorbij vliedende autoweg

 

witte donsdeken

voor een geleidelijk ontwaken

op deze lentelijke wintermorgen

 

ei zo na niet herboren

de horizon vat net geen kleur

 

deze nacht, liefste

doen we het nog eens over

 

 

 

bergbeklimming

 

 

het verlangen, stapvoets

klimt tot op het dak van de wereld

om er slechts de wereld

van beneden te ontmoeten

en zien doet hij nog niet

de kei, zwaar van levensverhalen

uitgewist door water en wind

die hij zal oprapen bij zijn terugkeer

 

 

volle maan

 

 

als de maan vol is

is mijn gedachte leeg

 

lichtbel

die zweeft op de nacht

 

als de maan vol is

is mijn gedachte leeg

 

mijn geest

is klaar voor de pluk

 

 

boemerang

 

 

de boomreus daar en zijn trouwe hagen

omsluiten het gazon

 

langs de wasdraad een zelf

dat zich niet weet te verbergen

 

zelfs geen tuinkabouter

om in zijn gipsen vel te kruipen

 

het dwergkonijntje

heeft zich onder het hok gegraven

 

geen uitweg dus

tenzij het harde azuur daarboven

dat je weerkaatst

 

boemerang van een uitgestelde dood

groen gat waarbinnen alles zich herhaalt

 

 

 deus ex machina

 

 

ik draag een gat in mij

waarin ik soms verdwijn

de leegte die ik achterlaat

is zwaar van heel mijn zijn

 

ongezien zie ik toe

hoe de geest in mij

al het stof dat mij nadert

naar binnen zuigt

jij incluis mijn lezer

als je je over deze woorden buigt

 

dan zijn wij liefdevol verenigd

verstrengeld binnen dit duivelspact

tot de god die ik al die tijd in petto hield

de stekker trekt uit het stopcontact

 

en ik opnieuw verschijn

 

 

gelukkig sterven

 

het laatste voor ik zal verdwijnen

in het gedruis van glas en ijzer

zullen je twee gloeiende kolen zijn

en daarna je hele lichaam, kleintje

dat mij ten afscheid wuift

in de wolk van gordijn

achter het raam

notities bij een wandeling op het kerkhof  1

 

 

de driekleur, aan flarden

danst heupwiegend

naar de pijpen van de wind

 

geeft zich niet gewonnen

bij het wrede liefdesspel

 

gladiator in het circus

van dit kerkhof dat rust voorwendt

 

waar de doden wel degelijk dood zijn

maar de dood zelf springlevend

die zich herhaalt

als golven over de zee van stenen

 

ik kom hier vaak langs

om te oefenen in de kennis van de waarheid

die vroeg of laat ons allen inhaalt

 

het is beter haar dan

recht in het grijs van de ogen te kijken

 

 notities bij een wandeling op het kerkhof 2

 

 

namen tot twee data herleid

prijsgegeven op stenen

 

zij liggen op rijen

tot in alle uithoeken van deze treurweide

 

vaak verlucht met een foto

die de bezoeker star aankijkt

met de blik van haar toevallige eeuwigheid

 

tot de nacht valt, het hek sluit

onderhoudswerkers en bezoekers

hun wereld der levenden vervoegen

 

komt dan de dood tot leven

en er wordt aangeknoopt met het feest

dat onder de zoden wriemelt

 

foto’s reikhalzen

om vreemd te gaan

 

zij zijn de schande

van hun familiegraf

 

balaton

 

  

glijden met trage armslagen

over het kleurloze water van het meer

 

ik ben alleen

de roodgekruiste bakens

zijn de enige kleurvlekken

in de grijze wolk

die zich over mij ontfermt

zonnescherm voor een diffuus licht

dat alles zichtbaar maakt:

blaadjes, twijgjes, wier

dat naar boven reikt

met de beelden uit de modderlaag

 

ik laat mij drijven

als die drie eendjes daar

 

eendjes dobberen goed

zoals geen mens ooit

 

         

                                            

Coimbra (denkend aan Theotonius)

 

 

ziehier de mens

soldaat zonder kogels

speerhouder zonder punt

 

zijn verlangen beperkt

tot even de pijn nog

die hem met het landschap verbindt

 

voor hij versmelt met de paarse horizon daar

voor eeuwig onzichtbaar hier

 

aangekomen

nog voor de rookpluim

die zich in de veelkleurige luchtlagen verliest

 

  

weddingschap

 

  

niets is

zoals het zich wel eens vertoont

alles

is de voortdurende herhaling

 

van golf tot golf

gebroken door die klip hier

en daar

 

het water dat woelt

de zon die slaat

op het dampende oppervlak

dat zich tot wolken condenseert

- weg die zon – zwaar van alles

 

ons rest slechts de weddingschap

 

onophoudelijk schuiven

schuimbekkende paardenkoppen

over de renbaan van de zee

 

 samenvattend

 

 het regent op de aarde

waarin onze namen

zopas maar en met zoveel moeite

werden geschreven

 

en weldra weer uitgewist

 

heel dit lange ogenblik

zullen wij gevreesd hebben, gehoopt

en gemeend lief te hebben

 

wij hebben kinderen verwekt

die op zo’n vreemde wijze

onze droom verder zetten

 

wij die slechts fantomen zijn

voortdurend op het punt te ontwaken

op die aarde waarop onze sporen

weggeregend zijn

 

 

                                                         

                                                          VERKAVELINGEN

                                                  

 

 

 

                                                                (1978-2013)

the unanswered question

 

 

naar charles ives

 

 

 

eenzaamheid

begrepen

door wie niet op zoek

 

de listige snaren

weten niet wat hen beroert

 

de vraag

zeven maal herhaald

van een trompet in de lucht

 

fluiten als degens

die zich ten antwoord kruisen

 

tot de vermoeidheid er is

het verzaken

de dood misschien

 

de eenzaamheid die is alleen

grond van niet-ontvankelijkheid

 

de vraag die blijft hangen

in de eeuwige lucht

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

naar een portret van alejandra anfossi

 

 

de grijsaard: troosteloze blik op oneindig

als hij voortijdig zijn dodenmasker kruist

in een flits langs hem heen kijkend

star in de richting van zijn nis

als aanschouwde hij zijn eigen nekholte

 

wik en weeg hoeveel dood er al in jou is gegroeid

met de verstening onderweg

van waaruit de voortzetting zich bestendigt

van dit plaatsvervangend onleven

 

met in je hoofd de echo nog

van het “ik wou dat ik oud was” van je eerste gedicht

in weerwil van iedere troost

berglandschap

 

naar jan mariën

 

 

een zwarte kader

op dit berglandschap gelegd

en alles begint ziedend te leven

de Fuji-Yama uit de ingewanden

van de aarde geperst

een Samoerai opdoemend in een sneeuwstorm

een weg ondanks de chaos

gedropt gedruppeld voor de handen

van de blinde ziener

lava roodgloeiend gestold

en eeuwige sneeuw op kookpunt

botsend tegen de grenzen

van deze zwartomlijnde rechthoek

en weer terug

 

een berglandschap

losgerukt uit het leven

gevat in een schilderij

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

schilderij

 

 

naar vincent van gogh

 

 

 

veeg na veeg

het gevecht met de wereld

die groeit

tot de hooischelven en cypressen

in mijn hoofd

 

het wrede heden

gevat binnen de tijdloze troost

van dit schilderij

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

paesaggio Grizzana

 

naar Giorgio Morandi

 

 

 

langs verwaaide hagen geslingerd

een aarden weg

voortgestuwd binnen de strepen van iele bomen

en grijze vlekken als schaduwen

 

bovenaan het landhuis

en een blauwige hemel die verten oproept

 

het bijziend oog ziet enkel vierkante verflagen

penselen hebben er de sporen nagelaten

van een krols ballet

 

een heuse wereld

gevat binnen de spanning

van zijn volkomen onbelangrijkheid

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

le rouge et le noir

 

naar Paul Klee

 

 

repen door kleuren bewoond

als sarcofagen op de zee van tijd

 

bogen als deuropeningen

ontelbare stipjes de ramen

 

daar doorheen pieken de beelden

diepzeevissen voor het verlies

planten waarlangs de blik zich optrekt

 

tot alle lijnen uitgelijnd

alle lagen tot het niets verfijnd

 

alles zich opnieuw herleidt

tot het gevecht tussen twee punten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Cossacks

 

naar Wassily Kandinsky

 

 

de krabbel van botsende paardenpoten

zoevende strepen

de snelheid gemeten

van hun op elkaar in rammende lijven

 

kleurenstipjes op en neer op hun ruggen

het paars van twee zwiepende zwaarden

 

drie bruine berenmutsen

zien vanuit de zijlijn toe

 

hun schiettuigen met bajonetten verlengd

bevestigen het gebeuren

 

kortom: vlekken en vlakken

lijnen en kleuren

 

de regenboog schraagt het hele tafereel

 

gekrinkel aan de horizon

wekt het vermoeden van meer

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

vrouw met waaier

naar Paul Gauguin

 

gezeten op een ronde stoel met troonallures

de blik op oneindig

de witte lavalava geknoopt onder haar borsten

het lichaam – ongemakkelijk

leunend op haar linkerarm

is daar prinses Tohotaua

de vrouw van de kok

 

haar rechter arm rust op haar schoot

tussen haar vingers houdt zij een witte veer hoog

die mij aanstaart met haar blauw-wit-rode oog

 

zij heeft er allemaal niets mee te maken

zij weet dat zij voor haar schilder en meester

slechts een deel is van het decor

opgeslorpt door de massa van roze en oker achter haar

 

muurbloem zoals die blauwe daar rechtsboven

daimon van de kunst die het Franse moederland

door middel van zijn schandelijke zoon

naar de antipoden heeft verkast

met de opdracht die ook op die manier te koloniseren

 

 

 

 

het werkvolk

 

naar vier schilderijen van J.F. Cantré

 

 

hoe licht wegen lede ogen

van een vrouw en een kind

in de balans met de meerwaarde

hoe licht weegt het loon van de arbeid

 

god-nog-aan-toe op kistjes in talloze  exemplaren

kruis-kras op elkaar gestapeld

met bovenaan zwartkaps knekelhand

 

iets achterop buigen bescheiden

vaders en moeders

hun vermoeide hoofden

over het niet meer te keren noodlot

 

met de handboeien gehuwd

in een bad van doornstruiken

een jonge rebel en een oude rot

in het vak van de weerspannigheid

zij laten niet los

ondanks de lonkende muil van de wet achter hen

die hun samenhorigheid verbiedt

 

 

 

het geblokte werkvolk

besnord en baardig

soms toch beheersen zij het slagveld

van de fabrieken met hun opgeheven schouwen

als zij elkaar ontmoeten in een warme greep

hun handen spreken dan

de schuttingtaal van de solidariteit

waarvan iedere letter een ster wordt

een lont aan de hemel

nu in lichtelaaie

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

l’homme qui marche

 

naar Alberto Giacometti

 

 

een man stapt

naar zijn lot toe gebogen

die het hele gewicht van zijn leven is

hem lichtend uit zijn evenwicht

 

hij gaat vooruit

denkt hij

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

optica

 

naar “le miroir” van Eric Pougeau

 

 

vlijmscherp

twee nagels op ooghoogte

 

de koninklijke stiefmoeder na de schoonheidsvraag

ziet haar gezicht op slag verwelken

 

théâtre de la cruauté

die de onmogelijke paringsdrift doorprikt

van het eigen oog

voor het beeld van de immer ontbeerde andere

 

stigmata

die het licht doven terwijl ze je te kennen geven

 

is niet het cogito ergo sum onlosmakelijk verbonden

met de ontwikkeling van de optica?

 

sinds de meesters van Murano

schiepen het kristallijnen glas

met alle gevolgen van dien

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

potlood op papier (1992)

 

naar daan van severen

 

 

kruis

 

teken dat de leegte

zichtbaar maakt

op het blad

 

opengeplooid

zoals het werd losgemaakt

 

uit het boek

waaraan wij allen meeschrijven

 

spiegel van het gemis

van ook jij in mij

 

leegte

 

die zichtbaar maakt

 

het kruis

dat wij allen meedragen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

prime time

 

naar Goran Djurovic

 

 

starend naar het groene scherm

wachtend op het feeërieke rode jurkje

opgeschrikt soms

door zwart gefladder binnen het gebladerte

laat ik

de nacht tot zich komen

en ontsteekt de lichtvlek in hem

 

het poppenspel kan beginnen

samenraapsel van buiten naar binnen

aangezogen door de lichtvlek van de grote jager

schouwtoneel van schermen en schuilhokjes

waar elkeen zich tot weerloosheid ontbloot

 

gezellige fantomen zijn wij

overgeleverd, van onszelf bevrijd

reikhalzend naar de doorzichtigheid

waar ik en ik zich om verblijdt

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

minotauromachie

 

naar pablo ruiz picasso

 

 

jager en prooi

ik tegen ik

doodsteek

door het eigen zwaard

 

de ogen van de vrouw

belichten het gebeuren

 

als zij knippert

is het net te laat

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dalí

 

 

verschanst in het vie de château

dat hij om zich heen bouwde

gevangen in het hoofse web dat hij rond Gala weefde

hield hij zich met beide handen recht

aan de dunne horens van zijn snor

terwijl zijn gloeiende kolen

door ijzige spiegels werden weerkaatst

 

koortsachtig zocht hij soelaas in langvingerige takken

generfde blaren, opgerichte doornen

olifanten op stelten, tijgerkatten, opgezette zwanen

geroezemoes van vliegen

de stilte van een bevlogen vlinder

 

tot de tijd tot stilstand verslapte

en al het gemaakte verzwond tot symbolen

 

zijn leven één rusteloze doodstrijd

liefde de verstening van een juweel

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

liggend naakt

 

naar Francis Bacon

 

 

biggenroze kamer

waarbinnen eigeel lamplicht

zwevend boven een opgemaakt bed

dat rust op de blauwe kijktafel

 

hierop ondersteboven

het vlezig schouwspel

van wie niet te vatten is

 

opgeplooide ledematen

zich afzettend naar

zich blootgevend ongewild

aan het registrerend oog

 

gestolde gebeurtenis

van een injectienaald in de rechter bovenarm

uitgedoofde tijd van peukjes

in en rond een asbak

 

aan het voeteinde tenslotte

het onophoudelijk verspringen

van een geest die buiten zijn lichaam barst

 

 

 

verlichting

 

 

in memoriam andré naessens

(naar een aquarel, zonder titel, 1978)

 

 

 

god in Griekenland

de maan een lichtvlek naast alle andere

te midden van deze verblindende nacht

 

de navelstreng van Ariadne tot het uiterste gespannen

oog in oog met mijn gehoornde zelf

met dit bloedende zwaard in de hand

dat ik van schede tot schede ben gevolgd

besef ik:

 

geen stap verder

 

tot ik mij met haar en huid verslonden weet

en uitgespuwd nooit meer

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

ecce homo

 

 

naar pablo ruiz picasso

 

 

ziedaar het circus

gezien met de ogen

van het meisje met de paardenstaart

 

zo ook de ogen

van de keizer

en zijn gewillige onderdanen

van brood verzadigd

maar onverzadigbaar

naar almaar bloediger spelen

op de uitkijk

 

het schouwtoneel

van ook Rembrandt en Degas

 

het schilderij

waarin de oude man

 

hij hoopt nog op het vlezig mirakel

van het model dat uittreedt uit het doek

 

met het penseel van de wanhoop

schildert hij

de wijdbeense hoer die zich opent

 

spleet van het leven

waarin hij wil verdwijnen helemaal

de hoop van de ter dood veroordeelde

 

 

naar joan miró

 

 

zijden draadje

kronkellijn

 

zij vertrekt van de rechter bovenhoek

roetsjbaan van pijn voor de vingernagel

die zich al krassend laat glijden

tot de linker benedenhoek

van de celwand van dit schilderij

 

de schilder heeft haar roemloos verdwijnen

niet gedoogd

en heeft ze gesigneerd: blauw, geel, rood

een bezwering

 

 

naar jules lismonde

 

 

vallen

met de deur

in dit eindeloze huis vol kamers

 

omdat het zo heerlijk is

het spoor te moeten volgen

dat het toeval voor me trekt

en ongedachte ruimten

door mijn netvlies reizen

 

eens lees ik de verborgen stad

op het encephalogram van de liefde

izumi

 

 

naar jacques lemaire

 

 

een punt

soms opent het zich tot een gezicht

leeg als de mensheid

maat van alle dingen

 

soms ook wil het alles opslokken

mond van Saturnus die het geschapene

tot de wanorde terugroept

 

wanorde, schepper van beweging

almaar duidelijker

naarmate de cirkel zich vernauwt

 

tot ook dit punt

aan obscure contracties ten prooi

mysterieuze anus van de nacht

hamer en beest

 

 

naar jean bilquin

 

 

omtrek

bij de arm genomen door het werktuig

 

zuil te midden van drijfzand

kleurvattend bij de gehoornde bekroning

 

het is van onderuit dat alle leven komt

ons opstuwend naar het gewicht

tot ons schragen evenwicht

het beest

 

 

naar jean bilquin

 

 

het ligt als een landschap

aan zijn rand zijn mensen bezig

gebukt onder de last van zichzelf

 

anderen hebben zich losgemaakt

verliezen zich vastberaden in de horizon

 

de horizon is een lijn

binnen halsbereik van elke bek

nature morte

 

 

naar Hölderlin-Scardanelli (Der Herbst)

 

 

vruchten, perspektiefloos

die zich mengen met het vrolijke einde

 

dit wijdse uitzicht op de velden

waardoor zon en wind, voor mijn raam

 

veld en leegte

wisselen onophoudelijk van plaats:

een beeld van deze stervende dag

 

het raam

dat het eigen glanzen omvat

verkavelingen

 

 

naar antoon de clerck

 

wat gezien is

in percelen verdeeld

de spiegel vervoegt

van het raam

dat het sluw

binnenhaalt

 

zo Diego Velázquez zichzelf

 

schilder van wat gezien is

en blik die het verzon

wat heimelijk in de spiegel

oplicht bij de aandacht

van wie het zag en meegezogen werd

 

zo ik door dit plat vlak hier nu

aanbotsend tegen daken, ramen, loof

de werkelijkheid afkleurend op de ruimte

die alles inpakt: lijnen, volumes

halsreikende rechten

krommen om in te rusten

 

tot het schilderij volloopt

en de gedachte leeg

 

en terwijl het schouwspel die verovert

 

onstuitbaar, onomkeerbaar

zichzelf naar buiten stulpt

 

                                     EEN ZICH EINDELOOS UITSCHUIVEND HUIS                                                                                                     (1979-1986)      

visies

 

1

 

 

 

 

mijn gevorkte geest

als hij uit mijn bord

een gedachte pikt

ziet toe hoe

onder zijn toezien

de andere zijde van de waarheid

zich openbaart

2

 

 

 

de wand met de duizend kastjes als uitkijk

in elk van deze kastjes een scherm op de wereld

 

een sleutelbos die mij bijna

aan deze tegelvloer kluistert

geen enkele sleutel werd moeiteloos verworven

 

de ontgoocheling is er des te bitterder om

alle programma’s zijn van deze kant

 

toch neemt met deze wand

iets een einde

waarachter iets anders begint

dat van deze cel

niet de voortzetting is

3

 

 

 

 

de muur van mijn waarneming

danst met mijn vraag mee:

 

doet niet het licht

de wereld dansen op dit scherm

of is het dit ‘ik’ dat men ziet dansen

in het onvatbare ritme van het licht?

 

de koepel van mijn waarneming

omvat als vraag

elk antwoord

van de blinde ziener die hem bewoont

als een zich eindeloos uitschuivend huis

4

 

 

 

 

de dag gedoofd

die ons belet het duister te zien

kruipt de zee

in haar eigen ondoorgrondelijk lichaam

 

overdag schenkt zij ons de illusie

dat zij vochtig is en doorkliefbaar

 

ook dit net te laat geworpen net

heeft er geen vat meer op:

 

Shiva-kwal

die danst

naar alle kanten

binnen de koepel van mijn oogkassen

5

 

 

 

 

alleen maar verhalen

 

als waren het uitwisbare foto’s van de lucht in het water

door de zonneflash belicht

en elke dagindeling een onderdeel

van een nachtelijke droom:

 

is mijn vijand deze gehoornde vechtjas in de spiegel?

mijn liefste de prinses

van dit verhaal zonder uitkijktorens?

 

tenzij die welke gericht zijn

op dat andere verhaal in ‘t klein

van mijn

verbeelding nu

de speelbal

de uit-vinder

 

 

 

 

omdat hijzelf

iets is van dit alles

haalt hij het er uit

en stopt het er weer in

daarmee klapt dan opnieuw

het deksel dicht van de doos

die hij zelf is

waarin alles is voorzien

van de grotere doos

die hem omvat

 

zo ook mijn handen

binnen dit voortijdse gebied

van zwarte en witte toetsen

die alle muziek al bevatten

tot opnieuw niets

een einde neemt

circus

 

 

 

heen en weer boven deze piste

voel ik mij nog het best

in evenwicht

over de gedachte draad

die ik lees

in de ogen van jan publiek

zeepbel

 

 

 

 

mijn eenzaamheid

 

een boemerang

als ik je in het publiek gooi

of nog

het zwarte gordijn

waarachter de zon verdwijnt

 

maar soms spreek ik je uit

als een zeepbel

waarin de helderheid woont

 

breekt ze

de hele lucht wordt mijn eenzaamheid

en jullie

ademen ze dan allemaal in

                                                                   DE WEKE PLEK

(1978-1984)

schilderij

 

 

 

 

onder de daken

langs de pijlers

hand in hand

ontvluchten zij het schimmenspel van de kleuren

zij die zelf twee schimmen zijn

onderweg

 

nog voor de dag

willen zij de weke plek vinden

waardoor zij voor altijd in de nacht zullen verdwijnen

 

 

 

 

hij gaat door het decor van straten

achter de coulissen van de huizenrijen

ligt de wereld van waar hij is

hij gaat en hinkt

de vragen achterna

waarop het antwoord vanzelfsprekend is

 

 

 

woorden

even geen angst

gooien zich te grabbel

in een vat zonder bodem

een zuil door de tijd

een sleutelgat

op zoek naar een ander oog

 

kamer waarin wij zorgvuldig

de niet ingenomen plekken opzoeken

tot het besef dat ook de voorwerpen

geen weerstand meer bieden

naar Rilke (aus einer Sturmnacht)

 

 

 

 

de tijdsplooi: veiligheid van de haven

ons voorgelogen

door vuurtorens, straatlantarens, bordeellampjes

 

iedere zeeman weet: aan het einde van de straat

wacht de eindeloze nacht

een raadsel

 

 

 

 

onlangs zag ik midden in een weide

een enorme cypres

zijn aanwezigheid daar leek mij totaal onverklaarbaar

tenzij eeuwen voordien

buitenaardse wezens de boom op deze plek hadden geplant

 

nieuwsgierig naar de boodschap kwam ik dichterbij

en merkte dat de boom hol was

toen ik in zijn holte keek

zag ik

dat zij leeg was

een ongeval

 

 

 

 

bloed dat ten tonele verschijnt

nog voor het besef

en een gordijn vormt

voor de aan het oog onttrokken wonde

sprakeloos

daar niet meer voortgestuwd

 

geen arm of been meer hier voor mij

alleen maar opgevulde pop

en geen gevoel aan de overzij van deze huid

zelfs niet het lichte prikken

van de reeds voltrokken ankylose

archeologische vondst

 

 

 

 

bij het over de kop gaan van de tijd

openbaarde zich deze stad van zuilen en kapitelen

als de stad van de distels, de bijen,

de mieren, de kevers, de hagedissen

lente

 

 

 

 

zo wij in dit seizoen

 

als druipnatte bomen

die de vorm aannemen van hun bladeren

 

de geheime overeenkomst tonen

tussen wat van hen het meest vergankelijk is

en hun meest duurzame verschijningsvorm

boob

 

 

 

 

om aan hun lot te ontkomen

maken de twee nullen van de dood

soms gekke sprongen:

 

dodo slaap zacht en niet meer wakker

leidt de leidtoonspanning niet naar de do?

 

dood, ook in een waterplas

blijf je herkenbaar

 

het landschap te vergeefs

van de bomen en het bedrieglijk licht in hun bladeren

dat dit bos

van spiegel tot spiegel

voor mij verzint

en waarin ik wil geloven tot de

de letter r

 

 

 

 

steven er heen

naar wat ligt aan de andere zijde van dit blauw

 

een magneet steekt onder de waterspiegel

hierin wordt het eiland van de lucht erboven weerkaatst

 

mijn tong trilt tegen haar gehemelte voor het onderscheid

houdt mij met het leven bijeen

estampe (gezien te Giverny)

 

 

 

 

gelukzalig glimlachend

zoals de slaper tussen de lakens

de zwemmer van Hokusai

 

hij sterft de verdrinkingsdood

tussen de plooien van deze tekening

een tekening

 

 

 

 

langs de weg van deze lijnen

ontstaan de zovele beelden

lauweren en veren

waarmee het leven zicht tot op dit punt

heeft getooid

 

als het besef ontstaat dat elke lijn

alleen maar naar haar dood voert

wordt aan deze tekening dan ook prompt

een einde gesteld

 

een waarnemer zou hierop

achteloos te kennen geven

dat de tekening ‘af’ is

boom

 

 

 

 

deze stam

voor de sappen er ongehinderd doorkunnen

 

en ik (‘ik’)

hun wijdvertakte, groenbebladerde

spreekbuis

 

de niet te stillen honger

van deze wortels

 

nijpende vraagtekens die mij

met deze planeet verbinden

en zich alleen nog

met de komende winter kunnen verzoenen

beeldspraak

 

1

 

 

 

 

ruimten, uitgerekend

of lukraak te voorschijn geschreven

op het plat vlak van dit papier

stukgeschreven

naar de ruimten die er achter steken

 

kegel ik opnieuw de werkelijkheid bloot

waarachter ik haar verstopt weet

 

misschien, als ook dit laatste

handjevol beeldspraak is opgebruikt

vallen wij dan wel écht weer samen

2

 

 

 

 

 

wat blijft

als al het water van de wereld is weggeëbd

om mee te spelen als je de wind bent

 

enkel het beeld van het zand

tot korrels verpulverd

tussen de ijverige vingers van de demiurg

 

mijn beeld, vereeuwigd in de spiegel van je ogen

telkens opnieuw hijch ik je mijn adem toe

en wis het uit

3

 

 

 

 

 

 

het tijdstip waarop het gordijn

de doorzichtigheid van een web verkrijgt:

 

het kantwerk van de nerven

is wat van dit blad nog rest in deze lente

waar alles opnieuw

het groene segment is opgerend van de bol

 

deze bol is wat blijft

als alle beelden vervagen

om van te houden

om mee te wentelen

tot ik opnieuw

opnieuw ik

                                                                              WEG

                                                                        (1979-1988)

het eiland, de vrouw

 

 

 

 

elke dag moet het eiland heruitgevonden worden

zie hoe het zich verplaatst met mij mee:

een schip, zijn gevecht met de wind en de stromingen

een kamer vol opeengestapelde bezoekers

uit al die tijdslagen

 

het leed dat ik ben

niet te kunnen zijn

dan aan mijn rand

met grensconflikten bezig

 

elke dag, op elk front, het eiland

tot het zinkt

in het beeld van de bloedende zee

 

elke nacht komt de vrouw

en wist alles uit met haar sluier

jouw vrijheid

 

 

 

je nachthemd om in te wonen

om in te genezen van de ziekte

een man te zijn

in deze wereld van paden en daken

 

kom dan en onderwerp mij

aan de ijzeren wetten van je weekheid

druk mij te pletter tegen het bolwerk

van je zachtheden

vermorzel mij

lust mij rauw

geef mij vooral geen enkele kans

 

er is maar één weg

van mijn gevangenis naar jouw vrijheid

aan de zon

 

 

 

lik mij, maak mij

tot een festijn voor je papillen

verslind mij, maal mij

fijn tussen je kiezen

bijt mij stuk met je sappen

versjouw mij door je hete organen

ben ik niet zomaar te verteren

doe ik je kokhalzen

braak mij dan uit, laat mij achter

 

zonovergoten prooi

voor je al likkebaardende nachtzijde

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

perspectieven

 

 

twee wereldzeeën

 

voor de kleurrijke voeten

van de regenboog: twee plassen

 

hebben zij ooit iets anders verlangd

dan in elkaar leeg te lopen?

 

niveauverschillen langs beide kanten

hebben het signaal gegeven tot de dans

 

stromen zijn doorheen de molen

uiteindelijk als rimpelingen gekomen

 

als het oppervlak

rimpelloos zal zijn

zal de storm zich enkel nog

binnen ons afspelen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

gaten

 

 

de gaten waarlangs wij leeglopen

van onze schaduwen

als de avond valt

het zijn de wonden

uit onze kinderjaren

het zijn ook de wijdopen deuren

waarlangs wij bij elkaar op bezoek kunnen

de stiltes in onze levensverhalen

die we met liefde opvullen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

de dioskuren

 

 

terug het bos in, een bos van wijsvingers

gericht naar het onuitspreekbare manetopje

eikeltje van de ijsberg

 

stiltes, brokstukken van de dag

die in het verhaal van de nacht werden ingelegd

het zijn edelstenen, ze schitteren

heimelijk belicht door de verzwegen zon

 

ze zijn twee, doch unaniem

ze werden bevrucht door de zwaan

en ontwaken uit hun eeuwenoude slaap

 

ze breken door de eierschaal van de maan

en kennen zo de dood

toch sterven zij niet

op het was van het kleitafeltje

vormen zij, herkneedbaar

het teken voor oneindig

 

allebei ‘ik’, telkens ook ‘wij’

als zij zich een toren bouwen

doen zij dit al strippend

 

wellustig gooien zij steen na steen

in de kikkerpoel

tot zij naakt zijn

en zich in elkaar volledig herkennen

de omgekeerde parachutist

 

 

 

 

op mijn kop nu

zou het volstaan

te springen

in de grijze brij van de lucht

om vast in mijn twee schoenen

op het heelal

deze averechtse wereld te schragen

weg

 

 

 

 

volg de ladder van de zon op de zee

stap voor stap tot het westen

goochel jezelf uit je gezichtsveld weg

je verschijnt opnieuw aan het oosten

ga dan in de richting van de kust

tot waar je blik je kan vangen

en je jezelf weer ingenomen hebt

achter in de verhuiswagen

 

 

 

 

midden de overalls van de verhuizers

een jongetje van negen jaar

 

in zijn rug de poten van stoelen en tafels

voor hem het wegrennende verleden

 

als hij vanonder zijn broekspijpen

zijn piemeltje bovenhaalt

wordt dit

het waterpistool

waaruit onherroepelijk

de snelle weg wordt voortgespoten

van boven bezien en aan hoge snelheid

 

 

 

 

drijvend op het luchtwater

zie ik de bodem

en de vele scholen wolkige vissen

die onder mij door zwemmen

de weg terug van waar ik kom

 

maar er is geen weg terug

alleen de horizon

waarop lot en verlangen koorddansen

en maar blazen

 

 

 

 

mijn saxofoon: een ik zoals ik

een aanfluiting van het onbegrensde

 

nochtans

iedere ademstoot trekt mij

iets dichter bij het doel

 

begrenzing die

door te zijn

zichzelf opheft

naar Paul Celan (von Ungeträumten geätzt)

 

 

 

 

het grote brood waardoor

de mol zich voorteet

opgejaagd

door wat zijn innerlijk scherm nog niet bezocht

op zoek naar gaten

in de nacht van de aarde

ze uithongerend

tot zij, verdund, het licht doorlaat

naar de kruimelkneder boven

geboorte

 

 

 

 

zijn ogen

verscheurd tussen het neerwaartse gevoel

van de pleister in zijn linker-

en het gevoel opgeheven te zijn

van de baxter in zijn rechterarm

zonder enige toegeeflijkheid

noch voor mij

die hem op het laatste ogenblik ben ter hulp gesneld

noch voor zichzelf

omdat hij na 12 uur leegbloeden in de vrieskou

met twee uitgehongerde bouviers als enig gezelschap

toen de dood op zich liet wachten

de hoorn heeft gegrepen

zichzelf, tegen zijn hele natuur in,

in de grote kolk heeft gegooid

tot hij er kotsmisselijk van werd

het hem speet en…

de ziekenwagen, het hospitaal, de operatiezaal

de warme slaap die niet de dood is

zelfs niet een imitatie ervan

maar integendeel als het leven zelf is

de bloedbaan, dichtgesoldeerd, waarop wij ons

in onze gammele bootjes begeven

eindeloos ver verwijderd van de ijsbaan

die wij eveneens – maar zonder het te weten -

in de grote werkelijkheid buiten betreden

HET GESLACHT VAN ABEL

(1980)

crimen interruptum

 

 

 

 

het geuren van onraad

achter de drang naar de daad

vlug

de schaduwen opzoeken, de wolken

 

het sussen

van de tastzin

van de ogen

 

de smaakpapillen van de vingertoppen

dorsten nog altijd

naar het bloed dat in de keel klopt

van de toevallige vijand

 

er zijn te veel mogelijkheden nog

word ik dan nooit

 

de volwassenheid

van die andere

na de eerste moord op mijn geweten

de woorden van de stam

 

 

 

 

Edgar Poe, lijkensnijder

van je generatie

als artifex vivisex triomfantelijk

binnengehaald in de stam

waartoe je niet behoorde

 

de woorden opengebroken

onthult zich

de taal achter de taal

de meer echte die met haar bloedig spoor

de weg terug wijst

naar het verraad achter de eeuwen

waaruit zij is ontstaan

het huis van Kaïn

 

 

 

 

op dezelfde plek waar Abel ooit halt hield

en zijn schapen liet grazen

verheft zich nu nog altijd

deze burcht tegen de angst om het weggaan

 

het huis van Kaïn bloedt uit al zijn voegen

de herkenning maakt er zich meer en meer uit los

de deurklinken: de handen van Abel

de ramen: de ogen van Abel

het houtwerk: de beenderen van Abel

de stenen: het vlees van Abel

 

het huis is omsingeld door één kloppend hart

zonder ophouden groeit zijn legertje aan

van ledematen en organen

richten zich zijn stormrammen

op de illusie

 

het beukt het beukt

langs buiten maar ook langs binnen

‘ben ik soms mijn broeders hoeder?’

 

 

 

 

het lijk van zijn broer

in de put van de wereld geworpen

sloeg een even onpeilbare

diepte in Kaïns gemoed

 

zwaar van schaamte

van leugen zwanger

vond ook hij toen

alleen de grafsteen taal als dekking

tegen de nooit aflatende

vraagstaart God

het teken van de Heer

 

 

 

 

de strijd om het leven

wordt tegen het leven gevoerd

ten Oosten van Eden in een kaartenhuis

van US-dollars

Kaïn gaat er schuil met het teken van Jahweh

en wacht er op de vermenigvuldiging der tekens

Henochs droom

 

 

 

 

omdat wij van de vormen zijn

worden wij door vormen bezocht

die de bouwstenen zijn van onze dromen

 

laat ons verder dromen

en niet wakker worden

in de droom van die andere:

de meetkunde van straten en pleinen

de stenen dwangbuis om de open wonde

die wij geworden zijn

het offer

 

 

 

 

het zondelicht en zijn schitterende drager

werden ooit gedoofd door het bloed

van het lam

dat eens in een weide

de bokken van de schapen kwam scheiden

 

sindsdien kan je elke zondagmorgen

op je tv-scherm zien

hoe de duisternis

uit je lijf wordt gesneden

en in de vorm van een lillend hart

het zonnelicht vervoegt

achter de transistors en de lampen

het huis van Newton

 

 

 

 

gebouwd volgens de kunst der wetten

volgen de stenen ‘als’ en ‘dan’

elkaar feilloos op

van de fundamenten tot de nok

 

als het bouwwerk af is merkt men

dat men de ramen is vergeten

 

maar geen nood

binnenin is alles voorzien

 

de bloemetjes aan het behang

zijn de sterren van het universum

 

met behulp van instrumenten

kan men veilig constateren

hoe netjes alles zich wel schikt

binnen het verwachte

 

maar ook men

is men vergeten

 

die is buiten gebleven

in de onmetelijkheid die hij bewoont

en geniet van wat hij ziet:

 

het bouwsel

buitelend als een dolfijn

zondigend tegen alle wetten

het ontstaan van de muziek

 

 

 

 

ben ik dan soms de hoeder

van mijn broeders dromen?

 

onder de graszoden van zijn gevoel

woelt het bloed van zijn broer zich een uitweg

met ontzetting ziet Kaïn hoe

met behulp van een citer en een fluit

zijn kleinzoon Joebal tussen vier muren

het reizen heruitvindt

het geslacht van Abel

 

 

 

 

een ooglid vol beelden voor het oog

een rolluik

voor de weggecijferde nacht

 

de aarde ondersteboven

de wereld binnenste buiten gewoeld

één grote stad

ontrold over deze planeet

 

zien wij hen die

weer eens de cirkel rond

hun oude stenen als hun stront

besnuffelen en belikken

 

hun spiegeltent die wij

met de dag talrijker

doorlopen

wij die niet weten waar we vandaan komen

 

en hoe wij het van hun angst leren

hoe zij het van onze ogen vernemen

dat zij het ook nooit hebben geweten                                                                             

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

                                    DE ROEMRIJKE LEVENSDOOD VAN POP

                        (1981)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

pop puft uit al zijn kieren

de kleurrijke woorden zoals ze zijn gevat

op het breekpunt van het prisma in zijn vel

op zoek naar de oplossing

voor het probleem waarbij hij groeit

meer en meer lucht wordt erbij gepompt

de kieren worden gedicht één voor één

stop alvast je oren dicht

want straks ontploft hij nog

maar zoals altijd komt hij

toch net weer niet tot ontploffing

some madness in his system

die hem dit belet

wie zo vol van niemand is zoals hij

komt niet zo gemakkelijk tot niets

de avond valt

een moeilijk moment voor een opblaasbare pop

de warme lucht in hem wil opstijgen

wil hem doen wegdrijven op de nacht

het evenbeeld voor ogen

van de leegte die hij omvat maar niet is

dat hij wil vervoegen in het heelal

waarvan hij deze avond vermoedt

dat het vormeloos is en toch alles inhoudt

een poplander

draagt altijd zijn land met hem mee

eeuwige buffer tussen twee staten

waarvan de grens nooit te trekken valt

een dubbele stippellijn op een landkaart

kan zichzelf niet omvatten

conflict dat pop

slechts met zichzelf kan beëindigen

voor het uitstalraam van een jeansboetiek

pop gaapt graag

naar bolgeblazen kleren

investeert nuttig

zijn blikken

de vrouw die hij begeert

tot een broekvol lucht gereduceerd

is het de eindeloosheid van een speldenprik

die hem scheidt van de ontploffing

voor het uitgaan

om kant of wal te raken

wringt pop zich langs alle kanten

voor de spiegel van zijn kleerkast

test er zorgvuldig kostuums uit

en twijfels

timmert aan het tegenbeeld

dat hem zou toelaten iemand te zijn

kiest uiteindelijk voor een luchtig pak

zo wil hij voor één avond

aan oog en snavel

van zijn spitsbroeders onttrekken

het feit dat hij slechts lucht is voor hen

every day’s night fever

pop kent geen hartenklop

toch is er een ritme dat hem voortbeweegt

de dans van de wereld

de discantus van de disco

die de godheid met krachtige halen

bij hem binnenhijgt

dan komt hij op zijn rug terecht

krabbelend en krauwelend

oververzadigd maar onbevredigd

overgeleverd aan de morgen

pop plays the saxophone

een slang in zijn aars

verbindt hem met de wereld

hoerige lauwe lucht

die zijn darmen doet daveren

zijn maag doet zwellen

hem door zijn slokdarm heen

reikt tot aan de nok

zit het hem tot daar

hij blaast zijn wangen bol

zijn lippen stuk

op het mondstuk

van zijn saxofoon

toonladders en trucjes

die met het trillen van het riet

van de hele wereld

de stank omtoveren tot muziek

niets voor niets

voor zijn maandelijks rantsoen lucht

gaat pop werken als zuurstofpomper

voor het aarsgat van de kippen van de W.L.K.

(de Windei-Legkippen-Kwekerij)

dankzij de arbeid van miljoenen zoals hij

kakt elke dag opnieuw

de goddelijke kip

de wereld uit

als haar eigenste windei

en daar blijft het bij

¡Buen viaje!

eens per jaar op vakantie

gaat ook pop

hij boekt dan voor het land in de spiegel

waarvan hij het hele voorbije jaar heeft gedroomd

zo dadelijk slaapt hij in

in de businessclass zetel van het luchttuig

dat zijn droom

naar zijn bestemming zal voeren

sport en speld

gewapend met een speld

gaan pop en antipop elkaar te lijf

zij zijn er goed van doordrongen

het gaat er om hun vel te redden

gaat hun vel eraan

dan zijn zij eraan

vloeit hun leven onherroepelijk weer

naar de atmosfeer waartoe hij hoort

de tactiek gaat als volgt:

de vijand in de ogen kijken

raden waarheen hij wil met zijn haat

voor antipop prikt

lost pop een weinig leven

uitwijkingmanoeuvre dat de speld

alleen de lucht als prikdoos laat

(min het vel van pop)

en zo gaat het dan van prik!… en mis!…

en prik!… en weer mis!…

o maar daar wordt pop in volle borst geraakt

toch ontploft hij niet

wat dacht je, de spelden

zijn natuurlijk nep

op leven en dood

heeft alleen de godheid recht in Popland.

petit explosé

Met het oog op het hier gestelde probleem

laat ik nu het woord aan de weledelgeboren heer W.

geëerd alweter van Waterland

onze al-omringende buurstaat en bondgenoot

heren poplanders, laten wij

uw aller substantie zuurstof heten

bij ons plegen wij die te mengen

(in de verhouding van 2 op 1)

met wat waterstof wordt genoemd

deze laatste stof kan afgezonderd worden

zodoende dat het volgende verschijnsel

zich vertoont

voor alle duidelijkheid zullen wij deze stof

in haar meest elementaire vorm als een familie beschouwen

Kaïn (om hem met een Bijbelse naam te sieren) speelt er voor het mannetje

alhoewel hij onafscheidbaar verbonden is met zijn vrouwtje

vertoont hij het volgende zonderlinge gedrag

cirkelend rond het nest waar zijn wijfje vertoeft

in het gezelschap van een soort van koekoeksei

lijkt Kaïn wel de wacht te houden om zijn familie

voor dreigende gevaren te behoeden

niets is minder waar

zijn voornaamste ambitie blijkt

eigenaardig genoeg

zijn broer Abel in de armen te vallen

deze, met dezelfde drang behept

cirkelt eveneens rond zijn nestje

om tot de beoogde omhelzing te komen

hebben zij evenwel een duwtje nodig

van onzentwege

wat wij hen dan ook niet ontzeggen

het resultaat is verbazingwekkend

de respectievelijke families Kaïn en Abel

worden zo meteen eenzelfde familie

waar als bij toverslag nog maar één mannetje

één wijfje en één nestje te bespeuren valt

maar daar roert zowaar iets in dit nestje

wat merken wij, niet één

maar twee vreemde vogels

zijn uit hun broeikas gekropen

klaar voor de vlucht

de vlucht van deze vogels

plaatst de gefusioneerde familie

voor nogal hete vuren

ware het niet dat wij er gewoonlijk

dit koelende stokje van onze makelij voor staken

dan zou dit een regelrechte oplossing bieden

voor het cruciale probleem

dat u, poplanders

zo kwellend bezighoudt

gebed zonder (hoop op) einde

oom atoom kon nu maar gauw

want ik heb het hier te nauw

splits u over mij heen

dit gesplitst ik wil zich weer één

met al dat niets dat het omcirkelt

spil van leegte waarrond het even siddert

spiraal die het katapulteert

op het scherp van het ergens anders

waar opnieuw dit ik zich aan bezeert

een veronderstelling

veronderstel dat het heelal

één grote ballon is vol lucht

daarbinnen de aarde

eveneens een luchtballon

in een huis daarbinnen

dat ook een ballon is

de ballon pop

bij het ontploffen van deze laatste

zou wellicht het heelal

met hem de lucht ingaan

in die grotere ballon dan

die ook het heelal zou omvatten

kus

één enkele keer toch is het gelukt

het vel van dat andere ballonnetje

tegen het zijne gedrukt

zo innig tot er geen vel meer was tussen hen

en hij de temperatuur van lucht in hem

voelde stijgen met haar warmte

niet meer op de begane grond nu

elkaars wederhelft binnen dezelfde droom

stegen zij bij volle daglicht

keken zij de zon in de ogen

de kus waarbij zij groeiden

liet hen na de ontploffing weer heel

pop verliefd

zie toe hoe liefdevol

hoe druppel na druppel

iemand in hem binnensijpelt

hem kleurt tot zijn complement

zie toe hoe hijzelf iemand wordt

hoe met het groeien van zijn levenswil

geleidelijk aan

de dood hem liefheeft

wie

toen pop haar in de ogen keek

merkte hij voor het eerst

dat ook hij ogen had aan zijn kop

toen hij haar kuste

ontstond zijn mond

toen hij haar streelde

zijn handen

toen zij tot hem sprak

besefte hij

dat er een ik moest zijn

onder zijn vel

maar wie?

wie niet

anders gesteld: wie was hij niet?

waarvoor wendde hij zijn ogen af?

welke woorden kreeg hij niet over de lippen?

wat was hem te heet of te zwaar om tillen?

toen zag pop

het leed dat ook het zijne was

het cijfer met de eindeloze reeks nullen

dat zich onstuitbaar

uitspon over de wereld

zodanig dat er voor niets anders nog

plaats was

en pop tilde toen het eerste kleurloze woord

met zijn handen die (merkte hij)

de handen geworden waren

van een reus

een visie

al veel te lang

brandt dit mij in de keel

dreunt het door de micro

van mijn strottenhoofd

dat ik dat tegen ik

die wereld die tegen de wereld is

in almaar monsterachtiger proporties

zwellend naar zijn tegenbeeld

en zij tegenover elkaar staan

de leuke familie alles tegenover de enge familie niets

en er weer partij moet gekozen worden

alsof alles weer voor niets is geweest

alsof het ons niet gegund is

iets te zijn of iemand

waarin wij groeien en ten slotte verdwijnen

een schrijven

aan Zijne Goddelijke Hoogheid de Kip

Hierbij hebben wij het genoegen

u de afloop te melden

van de opdracht die u verwaardigde

ons toe te vertrouwen

pop was de casus n°888.888

wiens evolutie wij het afgelopen jaar

met lede ogen hebben moeten volgen

grenzeloze overschatting

bracht hem ertoe zichzelf terug te vorderen

verschijnsel dat wij volgens uw nieuwste aanwijzingen

ongemoeid lieten ontwikkelen

in een verder gevorderd stadium bleek de patiënt

nog altijd niets begrepen te hebben

daar wij het risico liepen

om onze controle over hem te verliezen

zagen wij ons genoodzaakt om in te grijpen

de steen waaronder hij nu rust met zijn gelijken

zal hem wel nog een poosje

van enige handeling weerhouden

ondertussen rest ons ruimschoots de tijd

en ook nog een tijdvol ruimte

om uw rijk tot in het meest vergeten hoekje

van deze wereld

ingang te doen vinden

onze volkomen toewijding aan de zaak

verplicht ons nochtans om u

onze gevoelens van verontrusting kenbaar te maken

betreffende de tot nu toe ongekende proliferatie

van deze ziekte, die zelfs door ons scalpel

niet tijdig weg te snijden valt

en die de geestelijke gezondheid

van onze bevolking ten zeerste belaagt

hopelijk zal Uw Goddelijke Hoogheid

ons deze vrijpostigheid vergeven

ongetwijfeld zal zij ook nu weer

de geschikte oplossing bieden

voor dit toch dringend aan te pakken probleem

tot slot nog deze visie

hel spel waarin pop bestond

zonder de spelregels te kennen

anderen dan hem zullen het verder spelen

de winnaars – altijd langs dezelfde kant -

zullen ook zijn nakomelingen uitdagen

pop, jij die niet in het gekakel geloofde

van de dagelijkse kip

wellicht is het dit wat je leerde:

de illusie die van deze wereld is

kan nooit door een andere illusie gerechtvaardigd worden

overigens je oorlog hoort nu

enkel nog thuis in het museum

waar hij door iedereen te bezichtigen valt

in de sleepvoetende, kromgegroeide gedaante

van de goeie ouwe tijd

 

 

                                          VAN HET LAND VAN HAWAI

                                                                       (1965-1970)

slaap

 

 

 

een natte droom

is bij mijn in gaan wonen

ritselend nog als een verwarmde vrouw

en vindt mijn lichaam

dankbaar onderkomen

en sluimerend nu en zachtjes

ogenblik

zon

 

 

 

je bent de vader van al mijn kinderen

de vrouw

van al mijn verhitte verlangens

 

tussen je dijen is gloeiend geluk

in je lach

de dodelijke vreugde van de dageraad

 

je bent lichaam en teken

even zichtbaar

maar ongrijpbaar

 

God

op de kerktoren van mijn geboortedorp

avondmaal

 

 

 

avondkleur

mistslang om een late wandelaar

schoonheid schoonheid

het ritselende landschap van mijn verlangen

en ik heb honger

je lichaam is mijn dringend droomgerecht

je dans

de spartelende

vrouw van mijn verbeelding

 

soms denk ik nog de lente weer

(dan ben ik godenzoon en held)

een zwellende spons in een zinkende wereld

 

maar ach de wereld is te nat

ik wil je naakt en droog op mijn tafelblad

patre nullo

 

 

 

de hemel als een tros grauwe hemden

hangt

aan de waskoord van mijn blik

 

de nacht valt

als een grote duistere vogel

 

ik die (per abuis)

voor minder koude kleuren ben geboren

ga hier aan dood

dit is (zegt men)

de ziekelijke lust die

schoonheid heet

en waar elk eenzaam mens

moet aan geloven

 

krimphart

 

de nacht valt

als een koude vogel

dyonisisch

 

 

 

dit is de vreemdste nacht die wij beleven

de vreemdste uren die wij samen

zijn

 

uren (vederzacht en sluipend)

vogelvrij

dieven in de nacht

 

het is de mist een zee

van melk waarin wij schateren en gek zijn

maneschijn vergaren schuimdronken

liggen en likken

aan de beker van je handen

 

 

 

ik ben de nacht

je oog vol roze biggetjes

bezinksels

met hier en daar

het haperende zonnelicht

in mijn gordijnen

 

mijn leven is een droeve gril

je hand vol zand het dromenland

(je lichaam is een warme plant)

 

de dag is een te lange ziekte

voor wie slapen wil

wie weet morgen

zal ik eens ontwaken

en inzien dat ik alleen maar dronken ben geweest

wie weet

ik denk zo van die nare dingen

 

en acht ik wacht en ben het wachten beu

en neem mij toch zo vreselijk au sérieux

nachtmuziek

 

 

 

is dit het land waarin wij slapen

de kamer die de dromen

van ons lichaam samenhoudt

 

de nacht (een spook dat vlerkig

met zijn trage vingers

in het haar der mensen zit)

heeft nooit lange muziekjes verdragen

 

daarom laat ons beminnen

de klamme warmte, het zweet

van handen

laat ons geloven in de glinstering

van oog en lip als in de glinstering

van al te vroeg geluk

 

geluk is slechts een rinkelend nachtmuziekje

                                                                        ZOÖLOGIE

                                                                       (1967-1979)

 

 

 

 

ik francis de grote

mislukkeling onder de koningen

van dit rammelende papenland

van dit land van motregens en confituren

van broederhaat en van verknoeide

liefde

 

ik francis I

(françois premier pour mes pauvres frères

de l’autre côté de la frontière)

verklaar plechtig en verkondig

de mannelijke regen in het woud

van de verrukte liefde

de vrouw schoon, wild en naakt

als de hoogste reus van het ritselende bomenland

waarvan ik koning ben

één ogenblik

ik francis de eerste

mens misschien onder de koningen

lente

 

 

ik zou zo graag willen

zoeken naar het beeld

om uit te drukken hoe

fel hoe vurig hoe zacht hoe vrouwelijk hoe

schoon hoe

mannelijk hoe hartstochtelijk hoe

onuitdrukkelijk verliefd

ik kijk

als je weer vanonder je rokken

je nylons laat glijden

met de winter

 

 

 

 

broos, vurig

ongerept en wild

mijn lief

zo had ik je gewild

maar helaas je bent

slechts pluimvee onder de pluimen

van een vunzig bed

een kakkend kuiken

voor de legbakken van een onmenselijke kwekerij

droom

 

 

 

soms denk ik nog aan woorden: liefde, bloem,

ik hou van je, ik ben gelukkig

woorden die van iedereen kunnen zijn

clichés die de wegen zijn die gaan

van mij tot jou

soms denk ik nog aan beelden:

de zon, de zee, het azuurblauw van de lucht

of nog de nacht, de sterren

en in een landschap

de warmte van een huis

een huis waar jij op mij zou wachten

een huis vol woorden en beelden

realiteit

 

 

 

ik zou een gedicht willen schrijven over

liefde en andere tederheden

zeggen het onzeglijke

beelden opstapelen

daar waar woorden in gebreke blijven

maar helaas, mijn liefjes

de mensen houden niet van elkaar

en ik ben verliefd in spiegels

menselijk

 

 

 

langs de wegen

waar de regen

glimmend

tegenlacht

daar is iedere mens eenzaam

 

ik die met een luid gebaar

mijn verste

droefheid

verderwuif

ben ik dan nog

een mens?

 

 

 

 

zeg es jij met je jezusogen

wat heb je gemaakt tot nog toe van je leven

met je kop in de wolken en je tenen

wortelend in de modder

je hebt je leven verdroomd

slechts woorden

uit je wufte mouwen geschud

je droom heb je nooit

tot leven gebracht

en je lacht en je keelt

en je huilt dat het schatert

en je denkt

wat was me dat toch allemaal

een kleinpurgerlijke poel

 

 

 

om de eenzaamheid te weren

slaat deze heer

bressen in de andere heren

tovert ze om tot vertrouwde pionnen

op dit schaakbord voor de angst

en hij wenkt (soms zelfs brult hij)

als de aap op de hoogste tak van dit dorp:

kijkt naar mij, luistert naar mij

prent mij allemaal goed in jullie geheugen

treedt toe tot het spel waarin ik ben

 

dit alles in afwachting

dat hij er niet meer zal zijn

 

 

 

 

 

en is het daarom dat ik poëzie pleeg

zoals anderen (meer normaal)

misdaden bedrijven

ik die paul snoek heb gelezen die

bontridder las die

van ostayen had gelezen die

bobbejaan schoepen

en is het daarom dat ik eet en drink

en met je vrouw ga slapen

ik die poëzie schrijf zoals bobbejaan schoepen

van ostayen leest die

bontridder er toe aanzet

paul snoek

misdaden te doen plegen

vie d’artiste

 

 

 

ik heb er genoeg van te werken

in de bordelen van de maatschappij

een filter te zijn waar roofvogels

nachtegaalgeluiden doorheen kwelen

kortom een alibi te zijn

ik heb er meer dan genoeg van

en trap het hier af

en ga wat verder de clown uithangen

daarginds

op het trottoir aan de overkant

gedicht voor morgen

 

 

 

ben ik dan dit machteloze dier

opgesloten in zijn kooi van kleuren

met om mij heen een zoo van schoonheid

zee van rust waarover

nu en dan als zeldzame attracties

bezadigde bezoekers voorbij schuiven

zal ik dan altijd zijn dit neergezeten dier

blind en eenzaam binnen de tralies

van dit zwellende gedicht

gedaan ermee meer dan gedaan

morgen breek ik uit morgen breken wij allemaal uit

breken we open alle kooien

iedere zoo en iedere zee

overspoelen wij de wereld met het water

van onze geweldige liefde

menswording

 

 

 

met de geslachtsdrift, met de pijn

met het bloed, met de wolken

hang ik

als een baviaan aan de lianen

van mijn wedergeboorte

een foetus nog

zwemmend in de slijmen

van de bokalen van je buik

schreeuwend, brakend en trappelend

met de bewustwording, met de gebalde

vuist, met de haat, met de rechtvaardigheid

met de liefde

breek ik

doorheen het vel van de vrouw

naar het heldere daglicht

ben ik

noch godenzoon, noch held

en denk luidop de lente terug

revolutie is:

 

 

 

een haar trekken uit de schedel van marx

en het in de gladde boter leggen

 

het ongelijmd verkondigen

van ik, ik en ik

een tijdbom achter elk woord

 

het tot ontploffing brengen van de taal

jouw hart met de scherven doorkerven

blind tasten op een landkaart

een blad terugslaan in een beduimeld geschiedenisboek

 

revolutie

is een reis naar het binnenland

een lange wandeling naar de angst

 

 

 

men spreekt van revolutie

men zegt dat dit de kwalitatieve verandering is

van het ene systeem naar het andere

van de ene mentaliteit naar de andere

van de ene werkelijkheid naar de andere

 

als nu ons systeem, onze mentaliteit

onze werkelijkheid

de dood was

zou de revolutie ons dan het leven brengen?

gedicht voor marx, engels, lenin, stalin, mao e.v.

 

 

 

in het hemelrijk der suprastructuren

zit ik naast jullie te turen

naar jan met de pet, met de pint

met de kwaal

ach karl, zeg ik dan

ik maak me niet dik

maar mijn plaats is niet hier maar in de dieperik

laat mij toch afdalen, kameraad

naar het zweterig dal der infrastructuren

ben ook ik immers niet een arbeider

van de taal?

en zeggen dat er zijn die naar de bioscoop gaan

 

 

 

wij zitten aan een terras en consumeren

heel koel bier bewust belust op

trossen meisjes die langshuppelen

kortgerokt en hipgebroekt

in de achtergrond de magie

van een wegschietende tram

het alomtegenwoordige vuurwerk van reclameborden

de gewelddadige vreedzaamheid van het voorbijhossende

leven

stadsgedicht

 

 

 

weer het oor te luisteren gelegd

aan het sleutelgat van de waanzin

traag biernippend aan een terras

ongelooflijk safe

van de mislukte natuurmens

de dodelijke levenswijsheid overpeinzend

midden het lawaai van

gierende auto’s, roepende stenen

overvoede waarverkoopsters, flikken

lijnen, kleuren enz.

water

 

 

 

van het ik naar het al

vervloeien in het spiegelveld

en vrouw zijn, stilte, vloeibaar

voedsel

 

sinds spa vittel vichy evian

beslag genomen hebben op ons oerbezit

kan ook dit niet meer?

 

nu in flesjes om te leren

leven met een zieke lever

lekker hygiënisch, rechtstreeks

uit de natuurfabriek

 

 

 

brokken watte

kwalijk riekend

drijven even nog voorbij

op de avond

 

werden wij dan bedot?

 

deze zon werd daarnet

door de horizon gehalveerd

 

tussen de wijzers van het uurwerk

ligt net genoeg ruimte nog

voor een maquis

microcosmos

 

 

 

 

diertje met drukke gebaren doende

broekjes aan- en uitgeschoven

truien voor de avond

rolmops in de koude keuken

een bedgenoot nog niet geheel gedoofd

morgen is een web

dat van gisteren aaneenhangt

tot de wind opsteekt

 

een jongeman, zoekgeraakt

hij voelt zich bekeken en vraagt zich af

wat ik denk dat hij denkt

een heer in bloei met afgemeten stappen

buik ingetrokken in het spannende hemd

hij doet iets in een glimmende auto

waarna een huisdeur dichtklapt op de nacht

 

miertje bouwend aan de grote leugen

die het nest is waarin deze planeet

ligt als een ei dat nog niet is uitgebroed

 

liefelijk lonken de lichtjes

zij wachten tot zij opgeslorpt worden

door het vloeipapier van de hemel

waarop al deze woorden nog niet één inktvlek vormen

zand

 

 

 

badgasten gaan pootje baden

zij turen naar ebbe en vloed

badgasten worden natgespoten door de zee

hierop gaan zij zich drogen in de zon

badgasten worden drooggebrand door de zon

daarop laten zij zich natspuiten door de zee

badgasten liggen graag daar waar andere badgasten liggen

badgasten liggen op stranden

stranden zijn als kerkhoven waarop badgasten

zich eenzaam voelen en niet zeer gelukkig

om die reden pogen badgasten aan niets te denken

er is trouwens niet zo veel meer om over te denken

alleen nog de ebbe-vloed

machines die produceren

badgasten die consumeren

producenten die zich vermommen als machines

consumenten die liggen op zand

 

morgen ligt alles onder het zand

pour rire

 

 

 

vandaag in dit gedicht het volgende:

het gras, het weiland, de zon, het huis, een handvol

mensen om dit alles te bewonen

 

vlamingen, walen

kissinger en kiss me

en een luide radio om het allemaal

niet te moeten horen

 

van china en chili

van nixon en oxfam

van cultuur en tura

en van alles kortknippende leger-

scharen

 

allende heeft dus gezwicht

en mijn gedicht is opgericht

voor boer en tuinder

voor arbeider en vrouw

ter bevordering van de verandering

en tot stichting

van het gezin

 

tot slot nog dit:

ik ben de hofnar van het kapitalisme

                                                                   MUZIEK

                                                               (1965-1977)

dawn

 

naar ornette coleman

 

 

als de muziek van coleman speelt

de oeverloze eenzaamheid

als met de strijkstok van izenzon

de weemoed schuift over de snaren

van een contrabas

als de wereld een haven is geworden

hopend op de morgen

dan wordt alles stil

klanken en kleuren zijn overbodig

en alle woorden worden droom

met de misthoorn

miles davis

 

één

 

 

strevend naar schoonheid

naar de volmaakte schoonheid

van een ritmische bol

maak je muziek zoals een ander

krasgeluiden zou maken

 

duidelijkheid van het leven

als je eenmaal gevangen bent

in de dood

als in het stille streven

van een zich vervolmakend carcinoom

twee

 

 

 

rijt open

met je lichtende snavel

het zwoele kleed van deze nacht

doch doe het zacht

want zacht is ieder sterven

en zacht

is iedere glimlach in de dood

scheur dan

ongedwongen verder los dit rouwkleed

en kras dan

met je naalden bek

je woorden

in het puim van onze huid

orange was the colour of her dress, then blue silk

 

naar charlie mingus

 

 

liefde is een blues

twee melodieën

steeds gescheiden als dag en nacht

gaan elkaar steeds weer gaan opzoeken

dringen elkaar steeds weer hun ritme op

twee schijnwerpers

hard als je ogen

zacht als je huid

tarten je lichaam

liefde

is de droefheid, de hopeloze droefheid

elkaar nooit te bereiken

en dit zonder waarom

music is the healing force of the universe

 

naar albert ayler

 

één

 

 

punt-komma-contrapunt

het leven

schorre parafrase op het lied van de wereld

 

de man en zijn saxofoon

de man lispelt liefde in zijn saxofoon

lispelt leugens

tegen de bange vlerken van de nacht

blaast liters lauwe lucht

tegen het blauwe doek van de wereld

 

man en muziek

paren

op het lied van de wereld

twee

 

 

 

troosteloos is de man

zonder zijn muziek

alleen met zijn leven

alleen in tête-à-tête met de afwezigheid van alle muziek

 

ook mary is alleen

haar dijen netjes bijeen-

gegoten over de zitting van haar stoel

luistert zij ingetogen

naar het geluid van je liefde

 

duister roert in haar

roeren in haar

de duistere roerselen van afrika

van afrika diep in jou

afrika dat plotseling wakkerschiet

bij de syncope van je hartslag

drie

 

 

 

mary zingt

zingt voor de man in je

zingt voor de koperen echo van je lispelende saxofoon

zij zingt het lied van de wereld

 

je antwoord

weerkaatst tegen het gladde plafond van haar leven

vult met je adem

haar blauwe wereld door het raam

trillend

op het contrapunt van je stem

die haar eenzaamheid doorbreekt

als water

lover man

 

naar charlie parker

 

 

uit de wereld

met zijn gevangenissen, drugs, bedrog

illusies, leed

stijg jij

tot waar de vogel de mens ontmoet

en samen ga je verder

tot je vleugelslag

alleen nog muziek is

tot je alleen nog liefde bent

truth is marching in

 

naar albert ayler

 

 

moeizaam baan je je een weg

doorheen deze droom van cymbalen

en nu en dan word je wakker

met de hortende schokken

van een lichte cavalerie

en je bent treurig

als je denkt aan al dat moois

dat verborgen ligt achter de muren

van glimlachende mensen

nochtans hou je van hen

en je doet mee

en je geeft hen muziek

tot je er van kotst

en kriepend en piepend

op je moeizame weg naar schoonheid

de waarheid wordt blootgelegd

alabama

 

naar john coltrane

 

 

reizend door alabama

als door het land van de muziek

ben je op zoek naar de schoonheid van afrika

en reeds vermoed je dat de duistere

schoonheid van afrika

ergens zoek is geraakt

tussen macadamsteden en fabrieksgebouwen

reizend door alabama

met een piano, een drumstel, een contrabas

herken je overal

het vunzige leed van afrika

pijnkreten overschreeuwen je lied

tot je plotseling wakkerschiet

met je piano, je drumstel, je contrabas

met de wanhoop van je zwellende broeders

en de blues wordt bloed

het ritme tonnen tnt

je muziek de lava

van een vuurspuwende wonde

uhuru

 

naar archie shepp

 

part one

 

 

geen muziek meer

maar duizendvoudige fluitgeluiden

de tastbare, hoorbare

stilte van het oerwoud

uhuru

het zwarte vogelland

neen, geen muziek meer

en ook geen woorden

maar de tastbare, hoorbare

werkelijkheid van het geluk

het moederhuis

vol harige takken en duizendvoudige geluiden

part two

 

 

 

uhuru

waar ik had willen geboren zijn

morgenland dat ik

moe van mistig dromen

eens betreden zal

me wentelend in de nacht

van je bomen en bladeren

tuimelend als de vrucht

uit het wekkende bekken van je levensgrote lichaam

machine gun

 

naar jimi hendrix

 

 

raketaketaketaketak

bom  bom  bom   bom

raketaketaketaketak

bom     bom     bom

raketaketaketaketak

een machinegeweer

in een rijstveld in vietnam

een machinegeweer van staal

bespeeld door drie gi’s van vlees

en bloed

drie jonge snaken nog groen

achter hun oren

spreken woorden van kogels

op muziek van huilende geluiden

drie jonge snaken

in een rijstveld vol schoonheid

zij zingen

het lied van de dood

zoals de gitaar van jimi

het levenslied van de overzijde

pithecanthropus erectus

 

naar charlie mingus

 

 

plukkend aan je contrabas

als aan de boom van de prehistorie

de vruchten van de liefde

vertel je ons het naar verhaal

van wouden en vrouwen

van mannen en hun bazig geslacht

hoe uit de eerste harige vrouw

verwekt werd

de eerste harige aap

hoe bang bonsde toen

zijn hart met het bonzen

van je contrabas

hoe rauw hij knauwde

met zijn rode tanden

hoe speels hij speelde

de muziek van zijn gelaten

melkmoeder

en hoe hij tenslotte ook nog rechtop stond

en kraaide

om zijn mannelijke tak

barbieri

 

 

 

paarden die over de vlakte rennen

op het ritme van een toeslaande zweep

zij wordt een slang die krols

zich rond de snelle lijven kronkelt

 

telkens zij er een opheft

veren de tonen

uit deze razende

muziekdoos omhoog

als judy gezongen heeft weent zij van genot

 

 

 

de prikkeling van haar warme

stem in de lucht

is niet meer te verdragen

afvoer van energie

een dringende noodzaak

de penis publiek

richt zich trillend op

 

spuit zijn applaus

tussen haar veel te wijde armen

gymnopaedie

 

naar eric satie

 

 

als de weemoed hamert

op de snaren van een piano

in de maat van drie

en dit niet ophoudt

komt dan niet (o ironie)

het bewustzijn, de dood

het martelend verlangen?

 

ritme en beweging

in het spiegeloog van god

abîme des oiseaux

 

naar olivier messiaen

 

 

indien muziek niet

demiurgisch klokgelui

oneindig wijde ruimte

binnen de contouren der verbeelding gods

en wij voor de dood niet

voor het leven

illuzievolle vogels

pionnen voor een sacraal spel

geteeld geteld geschikt schaakmat

 

poes lief niet hoe waar wat perk paal

 

de inhoud van een oorschelp

een zondags verhaal

WANDELING

 

                                                                                                           

                                                                        (1974)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

twee gedichten voor Laura

 

één

 

 

(ik-jij.jij-ik)

tussen in een waskoord waaraan woorden

gladde wapperende grijnslachen­de

woorden hard & scherp

als revolutie soms of moord

eenzaam bekgevecht onder vier

ogen tussen twee

papieren muren

(ben ik. jij bent)

bij de genade van dit godgeklaagd gedicht

 

binnenste buiten buitenste binnen

moeten wij elkaar beminnen

 

 

 

 

 

twee

 

 

weer een dag voorbij-

geteld

het leven zet zich echter

onmeetbaar verder

het wachten van

het nog niet begane pad

is mijn oeroud verhaal

 

jij

bent er het gretige hoofdpersonage van

zwellende of kwijnende vlam

likkend haar eigen wonde

 

(positief V negatief)

gelukkig ongelukkig

 

je huid is het papier

waartegen ik mijn keiharde woorden roffel

wandeling

 

voor b.

 

 

 

je lichaam

waarover mijn handen wandelen

 

met schier gemeten treden

voel ik voel jij

het nauwelijks vermoede landschap

dat leeft en ademhaalt zoals ik schrijf

het album van mijn kindertijd

het moede boek waarin wij samen volwassen worden

zie ik zie jij

de glimmende spiegels van oog en lip en haar

glijbanen waarlangs mijn ogen glijden

en ik nu man en jij nu vrouw

reis ik ook vaak

over de heuvels en in de vallei

waarmee de natuur je tekende

 

kameraad

 

mijn handen wandelen in je handen

kerstgedicht voor Monseigneur Berkeley

 

 

waarvan nota:

 

koffiegruis versus tongkus

bezinksels versus tastbare tederheden

appeltjes van oranje martin’s pale ale

het tikken van een hard ei tegen een tinnen toog

 

wie hoe wat waar

de aarzeling, de twijfel

het weten nooit te weten

tenzij waarom daarom

de afgeroomde werkelijkheid

 

tenzij robinson crusoë

enige erfgenaam van de nv gulfsteam & co

gestrand op zijn eiland

als een appelsien op een sparreboom in de koude kerstnacht

lijkschouwing

 

 

de krampkreet door je leven

van het ijzig herkennen

zie je

het gerimpeld krimpen

van het vergeelde appelvrouwtje

voel je

het nooit aflatende liefdespel

twee bedenkingen bij het Sitar Tödol

 

één

 

 

langzaam afsterven

ook in dit gedicht

 

langzame in bezitneming van het hier-en-nu

van het altijd-en-overal

levende

leven

 

van de mens

de woorden blootgelegd

 

van de god de geest

ontdaan van ook mijn narrenpak

twee

 

 

 

mens

tijdelijk surrogaat voor god

 

leefdier

klein en angstig

 

zwarte kunstenaar

scepterzwaaiend over vijf koningrijken

 

onwetend

indien nog niet

belicht

 

slaafpop

indien nog niet

gestorven

mandala

 

 

 

na de ontploffing

de scherven bijeengelijmd van de o.v.t.

 

laaiende landschap

 

osmose van de zon

in het kiemwiel van een razende

god

 

een laat spook is uit mij ontwaakt

een zwoele tijger

een harde

brandende man

 

liefdevol

leidt hij mij bij de hand

door de vuurpoort van het leven

 

 

 

de dichter hij ziet

ruikt, betast de boom

die leeft en liefheeft

met luide wortels en takken

de dichter hij wenkt

met grote wanhopige zwaaigebaren

naar een grote blinde vrouw

plukt voor haar de kiem van de zon

reikt haar de vlokkige wolk van zijn handen

die grijpen in het lege

voor de voorbij-ijlende dag

de dichter hij schrijft dan maar

gedichten voor de ogen

van de blinde vrouw

 

woorden en wolken

van een voorbije dag

                                                                      REALITEIT

                                                                     (1974-1978)

                                               

er zit daar een komieke vogel op die antenne van dat dak

 

 

 

het is geen mus

het is geen merel

het is geen kanarie

het is geen duif

het is geen meeuw

het is geen spreeuw

 

het is een komieke vogel die daar zit op die antenne van dat dak

wat begrijpen wij eigenlijk wel

 

naar roger raveel

 

 

dat de ruimte grijs is

dat de divan bruin

dat de magie geel-grijs gestreept is

ons veel verder voert dan de rand van het schilderij

 

dat de mens eenzaam is

en wit

als het ongrijpbare leven

rinnnnng

 

naar antoon de clerck

 

 

molenstraat 3 hier moet ik zijn

aan dit witte huis met die blauwe deur

met die rode en blauwe ruiten

mijn auto is daar ook

op het witte grint vóór het huis

vóór de haag, het veld, de huizen

(de buren, de bomen, de lucht)

 

mijn gloednieuwe volvo

zweeft boven het grint

van dit schilderij

de koffer staat gaapwijd open

ik bel aan:

 

‘t is de bakker!

op de terugweg

 

naar roger raveel

 

 

een zuil van ruimte

doorbreekt het grasgroen van het schilde­rij

terwijl de eenzame fietser op de terugweg is

stapvoets droommens

met de sigaret tussen de vingers en de fiets

aan de hand

er is niets

aan de hand

alleen een flatgebouw in de verte en een boom

het vermoeden van

levend struikgewas in de rechter benedenhoek

de zekerheid dat

vrouw met transistor

 

naar jacques verduyn

 

 

het is de rust van een jonge vrouw die mij

een doodgewone jonge vrouw, met een donkerblauwe

pull met oranje, groene en gele strepen

en daaronder een donkerbruin slipje

 

foetusmeisje, ineengedoken bolletje

op het rieten zitvlak van een rode keukenstoel

vlees vergroeid met de witte tafel

scheefgetrokken hoofdhuid

leunend

luisterend

religieus

 

jaagt mij

pijnigt mij

de extase

van haar blauwe ogen

 

en ik vind er geen woorden voor anders dan

hulde

 

naar lucien van den driessche

 

 

in het openluchtmuseum

van de natuur

waar de bloemen

als ratten krioelen

werd aan het laatste restje van deze beschaving

(compositie van blik metaal radertjes en kamwielen)

plechtig hulde gebracht

 

een monument voor het nageslacht

bloemenruiker in het stadsgewoel

no water

 

naar lucien van den driessche

 

 

zwart als dit zwart is geen lucht

wit als dit wit

geen vervloekt woestijngebied

waar blikjes mekaniekjes radertjes motoren

(folklore van vandaag)

vergeefse pogingen van een bouwvallige schutting

om alles visueel

goed te maken

de paal de kraan het opschrift:

 

NO WATER

 

dit is niet goed te maken

bonus malus

 

naar lucien van den driessche

 

 

de lucht grijs-blauw

de snelheid van het wegdek wit

beschouw de nieuwe metamorfose

 

hoe ook deze auto

tot wrakstuk zich ontwikkelt

 

zo eenzaam

is geen drenkeling

als de man die uit zijn auto wordt geslingerd

in de woestijn

van onze tijd

 

trouwens hoe zal hij volgend jaar zijn verzekering betalen?

een dozijn

 

 

naar daniel vandepitte

 

 

1

 

 

 

deze tekening van het ei

door zijn besnavelde wachters begaapt

is niet het ei in mijn hand

in mijn hoofd

het werkelijke ei ligt elders

in wie weet welke wereld

door wie weet welke architect gebouwd

plato misschien of columbus

de eerlijke vinder

van dit woord, zorgvuldig

gekoesterd, bemoederd, verdoezeld

in het broeierige nest van dit gedicht

2

 

 

 

een ei

netjes op het rekje

van deze lijn

waar die ophoudt houdt ook het ei op

keert weer naar zijn gedroomde vorm in zijn slaap

doorbreekt ongemerkt zijn besnavelde wachters

wordt krijssend wakker

aan gindse zijde van zijn val

3

 

 

iedere lijn een speer

door het oog van de kip

waar die zich met de gedroomde lijnen

van het ei verzoent

wordt het mannetje in het ei wakker

een schaduw ontstaat

uit het vermoede vuur

achteloos geworpen op het veelvoudige wit

4

 

 

wat de vorm van het vuur inhoudt

weet alleen de kip

telkens haar oog op de navel valt

van dit universum dat ook het hare is

onbewogen bewegend

scheidend gescheiden

op het scherp van deze snede

5

 

 

 

wees op je hoede

het ogenblik vat ogenblikkelijk vuur

de kippen zijn er als de kippen bij

neem en eet ervan

en blijf niet zitten in je hoekje als het gebeurt

voel je je stijgen?

de geest daalt opnieuw neer

 

al voor het voorbij is

is het te laat

6

 

 

als op een signaal

verlaat ieder ei zijn kartonnen vakje

ik weet dat zij stijgen

achter de schermen van dit papier

 

het mes van de tekenaar dat opensnijdt

de buik van de kunst

reveleert de zachtere vormen achter de meetkunde

de lucifers zien gespannen toe

7

 

 

vrouw

vat vol tepel en navel en tere weekheden

wijd-open

gebr()ken

onder de last van het wit

klaar voor de nederlaag door het mes

dat je middendoor snijdt

dat je zal overwinnen op je beurt

door het te bevatten

8

 

 

maartse buien, vuurregen, lente

bevrucht in de hinderlaag van deze vrouw

niet meer tasten nu

niet meer kijken

niet meer luisteren

maar voelen, zien en horen

(hoor je het ook?)

het ritme van de stormrammen

tegen de toren van de droom

9

 

 

uit de oksel van de liefde

ontstaat, neemt vorm aan, wordt tastbaar

de vrouwelijke droom

en ebt weg

het vierkant van de rede

door lucifers geschraagd

brokkelt uiteen, ontvlamt

in de woekerende plaag van spermatozoïden

groeit zich te pletter

tegen het niet mis te verstane misverstand

10

 

 

eieren als woorden

uit de buikholte van deze scène gerold

(een glimp van de vrouw doorbreekt de gordijnen)

deze tekst moet voor de woorden verdwijnen

dit woord van zijn schelp van letters ontdaan

doet alleen nog zijn verkoolde spoor verschijnen

11

 

 

ik sta wijdbeens

of nog

ik hang aan lijnen van de tekenaar

zij trekken strepen op het slipje

dat bol staat van mezelf

strepen ook vormen het cement

van het bakstenen gebouw dat mij bijeenhoudt

de snavels pikklaar in de rij

elk ei richt zich op in zijn kartonnen vakje

12

 

 

het probleem van de kip en het ei

onomkeerbaar nu

is opgelost

aan de hand van dit plastic zakje

waarin een spiegelei dat geen spiegelei meer is

hoeft slechts even opgewarmd

door duizenden tegelijk

elk voor zich in zijn vakje

                                                     ALS EEN PAS VERNIELDE STAD

                              (1975-1979)

gebed (voor het slapengaan)

 

 

 

o god jij die de enige bent

die bent telkens ik wakker word

laat deze braaklust aan mij voorbij gaan

 

ik beloof het ik zal heel erg mijn best doen

om in elk stukje scherf op mijn weg

jou niet meer op te zoeken

ik zal de spierwitte celwanden van deze wereld

in de ogen leren zien

 

ik zal leven zonder spiegels

stadsgedicht

 

 

 

wat van de verwachtingen van toen

is blijven kleven aan de gevels

die in die tijd dienst deden als decor

voor mijn uit wandelen gelaten jong verdriet

is door de jarenlange regenval

nu wel afgeweekt

 

gelukkig dat er nog lichtjes zijn in de stad

om zich aan te verwarmen

 

 

 

 

vandaag denk ik terug aan de tijd

toen ik jong was en niet jong wou zijn

omdat de angst mij ter plaatse deed trappelen

de wereld vulde met ontbladerde bomen

en de zorgvuldig getelde rimpels van mijn hand

toen deed iedere seconde van mijn leven mij pijn

ik wou de bloedeigen ritus niet ondergaan

en soms overkomt mij nog dit verlangen:

 

het spel niet meespelen

niet voortplanten niet doden

niet slaan niet geslagen worden

aankomen zonder op weg te zijn geweest

 

 

 

 

groepsseks lillende vrijages

met de dochtertjes van de taal

draag ik

op mijn eikel geplant de vlag

van dit gedoe met verregaande consequenties

langs spleten en kieren weg

en zich vermenigvuldigend tot

 

jij

 

een ontplofte vrouw op dit blad

zeevaart

 

 

 

hard tegen hard

de zon slaat

op de onzee der onzekerheid

daarop drijven eilanden

die ik soms wel bezoek

aardbeienjam, marxismen, met confetti gooien

spermaspuiten, idealen

het archipel van de vrijheid dat ik

handig omzeil

jou die ik de loef afsteek

nog voor de nacht

haal ik misschien

het schiereiland

van de deinende liefde

styx

 

 

 

wie mij wil bezoeken

zal vanaf heden

een bootje moeten nemen

metempsychotisch tafereel (la pensée vivante)

 

voor p. (sus)

 

 

 

is niet de maan de afwezige in het bos

waarnaar de trage vingers van de bomen wijzen

zijn dit niet je haren

als lange slierten zee langs mijn handen

zijn dit niet

 

je handen

tastend

 

de warmte aftappend

van mijn o zo bloedend hart

 

jawel hier is de bushalte: de ontploffing is

met reden uitgebleven

mijn ziel

onhoorbaar

 

stapt over in de gedaante

van een toverkol

van ik naar ik

van het gedachte

leven weliswaar

 

naar de levende gedachte

 

 

 

ik was al jaren onderweg

tot het bij mij doordrong

de eindbestemming was van de kaart geveegd

en ik kon geen andere route meer uitstippelen

 

 

 

de jaarringen merken ongemerkt

tot het besef een boom te zijn in het landschap

en niet in de rij

 

 

 

het bewustzijn

bla bla

baant zich klaarwakker

een web

door dit nog maagdelijk verhaal

vol dichte koffertjes

 

maar als die gaan wegen op je verstand

en alle voelsprieten worden

onthoofde wormpjes

klopt de nacht bij je aan

 

je manhattan center

stort in slaap

 

 

 

 

woorden

zijn hefbomen

om de zeer grote

leegte

mee op te tillen

 

 

 

 

van het zwarte bord van het nog-niet-ik

de gedachten plukken

het zich toeëigenen van dit ik

door een conflict met al het andere

activiteiten activiteiten

 

 

 

uit je hoofd

de gedachten plukken

de woorden die je op mij afvuurt

inpakken in rood of blauw

inpakpapier

ze ordenen vervolgens op een rekje

tussen een blik soep

en een fles bleekwater

 

was het nu niet dat vannacht

de wereld zou vergaan

ik zou zo uren kunnen doorgaan

infantiel gedicht

 

 

 

in jouw ogen: ik

stapvoets

kleuter op verkenningstocht

tot aan de grenspalen met het niet-ik

en kiekeboe en bontekoe-

ien loeiend op

 

het eeuwige

 

weiland om af te grazen

zonder het lieve kleintje

 

meisje dat uit mij

is weggegaan

hand in hand

met het lullige broekventje

francis in jou

 

waarheen nu?

 

 

 

 

 

ik moet de dagen over je vel laten hollen

je leren vatten in het oog dat je ontluistert

en wetend de afbraak bouwen punt na punt

de dodelijke sprongen wagend

tot de lijn-illusie

tot het mes er is dat ook mij zal snijden

 

en niet willen en toch doen

met de razende minnaars de fluitende

verhuizers het angstbeton rond jou

waartegen ik mij stomp beuk

 

tot ik het allemaal niet meer zo goed zal begrijpen

tot je er niet meer zijn zal

 

 

 

 

 

elke dag breng ik je bloemen op je graf

dan ben je mijn goddelijke

celgebuur achter de achtdubbele wand

reukloos geluidloos enkel tastend

neem ik met jou langs felbeschreven muren

contact: je naam

overal gegrift lokt mij

langs steeds eendere vluchtheuvels

dezelfde hemelsblauwe klippen op

 

elke dag kom ik je bloemen brengen

het dodenhuisje wordt een doorwaadbare plaats

waar ik het mooie koningskind schaak

de nacht van mijn oogleden als veilige haven

elke dag als ik je bloemen

kom brengen langs dit wazige pad en ik

van een kale reis terug je dubbelgangster ontmoet

(ik zeg haar geen goeiedag want

ze mag het doodsnet niet zien

dat voor haar gespannen ligt)

 

als ze tuimelt ben ik

een vrije vogel

 

 

 

 

dit waanzinnig verlangen

dat maanreizigers

een drukke winkelstraat injaagt

eigeel voor de ijsblauwe nacht

en ogen ontelbaar die ogen ontmoeten

dobberend in spiegels overal

 

ongestraft nog de hoop

in een gedachte vermomd

beklimt het rotsmassief van de hemel

hij die kennis nam van de nacht

weet dat zij een scherm is

opgetrokken door de wereld

voor de wereld van het lichtende huis

van waaruit jij geduldig

berichten seint

 

bliksemschichten

aan de spleten van de hemel gelezen

de nacht betrapt (een gebruiksaanwijzing)

 

 

 

graaf een vijver in je hoofd

plant er kris kras een tuintje rond

maak jezelf klein als een mier

ga schuil in het hoge gras

en wacht op de nacht

sssstt! zeg nu niets meer

laat alles gebeuren

 

 

 

hou je ook zo van de zee

de grote zee

de kleine zee binnen je gezichtshoek

waar je bent telkens met de deining

soms iets meer

soms iets minder

maar altijd onaf en vrij

als een notendop

 

 

 

 

een knotwilg in de herfst

gepluimde pauw die wanhopig

zijn waaier

naar het gewelf

poogt te ontvouwen

 

kon hij echter uit zichzelf treden

en zich op een afstand gadeslaan

dan zou hij de vingertoppen van de hemel

zien woelen door zijn kruin

 

 

 

 

het werd mij gegeven het wachtwoord

dat doorstoot tot in je diepste

langsheen de landschappen van je verbeelding in galop

stampvoetend achter de toneelgordijnen, trillend

van dit gedicht waar ik het onweerstaanbaar

achterhou

 

de dichter is een krolse cocotte soms

onder zijn wiegelende rokken verbergt hij

wat hij je wil doen veroveren

nochtans zijn ogen zijn een visrijke spiegel

je vist er al wat je niet ziet

en wat je ziet vis je er niet

 

deze woorden zijn een haven

en er is geen derde mogelijkheid

deze woorden werden mij in de mond gelegd

neem ze aan zoals zij mij gegeven werden

 

ik neem opnieuw de oeroude draden op

die leiden naar jou

onder mijn woorden wacht het woord

dat ik zachtjes voor je toedek

 

 

 

 

ik plant mijn roede in de aarde als een boom

in het donzige net van mijn takken

sluimert wellicht het hele universum

 

het is alsof ik bij de zon op schoot zit

urenlang richt hij tot mij

zijn hartversterkende verhalen

 

ik die nooit een vader heb gekend

in mijn zaad doet hij het verlangen ontluiken

naar het kind

dat binnen het spanningsveld van deze woorden

tot leven wordt gewekt

 

 

 

 

in elke haven word ik

met afscheid opgetuigd

op elk vasteland staan inlanders

wuivend met hun hemelsblauwe gebaren

 

ik die mijn vasteland in mijn hoofd meedraag

als een kleuter die met zijn strandemmertje

de zee wil leegscheppen

maak ik ook mijzelf leeg

 

maar telkens weer herneemt de zee haar oevers

die de eierschalen zijn van mijn niet te stuiten woorden

himalaya

 

 

 

brokjes wolk lukraak losrukkend

en opnieuw bij elkaar proppend

heb ik je in drie dagen heropgebouwd

als een pas vernielde stad

een gouden eeuw

staat voor een tijdje weer te lezen

op het gloednieuwe

polshorloge dat je me gaf

vraag en antwoord hebben elkaar weer lief

de landschappen hebben opnieuw

het tragere ritme van de zintuigen gevonden

 

de reikhalzende vogels van weleer

hebben zich neergezet op het dak

van mijn nieuwe wereld

 

 

 

het valt mij niet gemakkelijk

mijn ogen af te wenden

van dit noman’sland

deze uitgegomde grens

tussen het einde van de bergtop

en het begin van de wolken

 

 

 

en wie ik ben

ik die nooit geworden ben

of zo ver af en onbekend

de onzekerheid als bouwgrond

dit te kort

als mijn angstwekkende huis

(ik: een wandelende afgrond, een woekerende

defensieve bloem) het hemelsblauwe

mes op de keel

op jou gericht

 

jij die mij doorhebt (denk je) en maar niet vindt

het wie dat je doorboringen zou stuiten

en twijfelen twijfelen twijfelen maar

met het heen-en-weer gewentel van eindeloze spiegels

met het balletje op de pingpongtafel van het jij-ik

maar nu genoeg daarover ik zal het kort en bondig

zeggen wat ik denk en voel

 

dat ik geen bedelaar meer wil zijn dat ik

een koning ben

geen koning boven op een berg

maar een doodgewone koning

wonend in het wij

 

waarvan akte

saxofoonduet (met ook nog San Pedro)

 

 

 

als ik heel aandachtig

in mijn linkerhand kijk

dan merk ik dat het leven

al heel wat lelijke strepen

door mijn rekening heeft getrokken

en ik kijk mijn goede

koperkleurige vriend in de ogen

dan lees ik er: 3920 en made in italy

(net zoals ik)

3920 of nog 14 (goed getal) of nog 5

de vijf koningkrijken waar over ik

(god zij dank in vrede nu) heers

 

geef me de vijf vriend

zoals ik je ze alle vijf zal geven

zo dat men zal zeggen:

hij heeft ze niet meer alle vijf

 

qu’importe

wij delen het geheim

van dit noodzakelijk toeval

Cuzco

 

 

 

het besef een schil te zijn aan dit mes

zoals aan deze avond de maneschil

en zie de muziek maakt mozaïekjes

in mijn bos vol rode en wapperende dennen

in dit razende heelal waarvan

sneller en handiger nu

ik de sterrenplukker ben

 

en nooit meer ophouden

 

 

 

een tiental populieren in hun naaktheid

binnen hun netwerk wordt elk kruispunt van takken

het middelpunt van een cirkel

telkens een ik net zo eenzaam als ik het ben

zoals ik oneindig verbonden

 

 

 

 

tussen de twee werelden

gaapt en open vraag

een kloof die zich verwijdt

telkens ik meen een brug te moeten slaan

wijl daar (wijl hier) beneden

een antwoord wordt gebouwd

uit het pure goud

dat uit deze aarde komt

de hemel overbruggend

 

 

 

 

in de rode zetels van iedere avond

kijken wij tv:

binnenste buiten de hele wereld

défilé

aan het andere eind van de verrekijker

daar wij de spanning zijn tussen twee schermen

waarop liefde en doods-

gevaar steeds duidelijker gestalte wordt verleend

op dit duimbreed tussen gent en calcutta

op deze roekeloze stip in de tijdszee

waar hetzelfde

en het andere

nog even rondzwalpen

alvorens door elkaar te worden ingeslikt

zwanenzang

 

 

 

aan elke zwaan zit een tweede zwaan

de zwaan van de lucht

vergroeid met de zwaan van het water

 

telkens zij met haar bek de spiegel doorbreekt

worden zij volmaakt als een vis

luchtbellen makend

die ons universum besturen

luchtbellen

die grafkamers zijn

 

diep onder dit oppervlak verscholen

verrijken zij zich met elk voorbije leven

 

met de hartslag van de dode

wordt alles daar voortdurend herhaald

tot het licht wordt in de andere grafkamers

 

Publié dans : ||le 26 mars, 2016 |Pas de Commentaires »

Laisser un commentaire

le blog de jeanluke |
Le jeux Lyrique |
My wOrld |
Unblog.fr | Créer un blog | Annuaire | Signaler un abus | poesymymy
| La joie de vivre c'est le b...
| L'ATELIER-CAFE de Flor...